Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een vennootschap met een pensioenvoorziening voor haar directeur-aandeelhouder, betwist de door de inspecteur gecorrigeerde pensioenvoorziening ultimo 2014. De inspecteur stelde de voorziening vast op € 68.097, gebaseerd op een actuariele berekening met inachtneming van een rekenrente van 4%, waarbij aanspraken na 2009 niet zijn meegenomen vanwege een beperking in de pensioenbrief 2012.
Belanghebbende stelde dat de inspecteur onterecht geen rekening hield met een zogenaamde "ophoogclausule" uit de pensioenbrief 2012 en met een pensioenovereenkomst uit 2017. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur voldoende heeft gemotiveerd waarom deze clausule niet van toepassing is en dat de pensioenovereenkomst 2017 niet relevant is voor de balanspositie in 2014.
Verder stelde belanghebbende dat de inspecteur het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden, onder meer door het overleg over een compromis voortijdig te beëindigen en onvoldoende op vragen in te gaan. De rechtbank verwierp deze stellingen, stellende dat de inspecteur zorgvuldig heeft gehandeld en belanghebbende voldoende gelegenheid heeft gehad haar standpunten toe te lichten.
Belanghebbende wilde tijdens de zitting een niet eerder overgelegd bewijsstuk indienen, de notulen van een aandeelhoudersvergadering uit oktober 2014. De rechtbank wees dit bewijsaanbod af wegens schending van de procesorde en het belang van een doelmatige procesgang.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de correctie van de pensioenvoorziening op € 68.097.