Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Griffierecht en proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De inspecteur legde aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2016 op van €300.000, inclusief een boete en rente. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde onder meer dat hij niet in Nederland woonde en dat een ander de eenmanszaak dreef. De rechtbank oordeelde dat de aanslag grotendeels terecht was vastgesteld, maar dat een bedrag van €17.928 aan niet-aftrekbare kosten onterecht was meegenomen, waardoor de aanslag werd verminderd tot €282.072.
Belanghebbende had geen aangifte gedaan ondanks uitnodigingen, waardoor de bewijslast werd omgekeerd en verzwaard. De rechtbank verwierp het verweer dat belanghebbende niet belastingplichtig was. De boete werd terecht opgelegd omdat geen afwezigheid van alle schuld was aangetoond. Een verzoek tot schadevergoeding wegens beslaglegging werd afgewezen wegens gebrek aan bewijs en rechtmatigheid van het handelen van de inspecteur.
De rechtbank wees een integrale proceskostenvergoeding af, maar veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €47. De uitspraak werd gedaan door drie rechters-plaatsvervangers en openbaar gemaakt op 31 januari 2022.
Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting 2016 wordt verminderd tot €282.072; boete en schadevergoeding worden afgewezen; griffierecht wordt vergoed.