Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Griffierecht en proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, eigenaar van een eenmanszaak in interieurbouw, kreeg naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd over de jaren 2013 tot en met 2015, inclusief boetes en rente. Na een boekenonderzoek en derdenonderzoeken concludeerde de inspecteur dat belanghebbende ondernemer was en dat de administratie ernstige tekortkomingen vertoonde, wat leidde tot een redelijke schatting van de verschuldigde belasting.
Belanghebbende voerde aan dat zijn neef, [heer Z], feitelijk de werkgever was van de Poolse arbeidskrachten en dat hij zelf slechts als ondergeschikte werkte. De rechtbank verwierp deze stelling, oordeelde dat belanghebbende de onderneming dreef en dat de naheffingsaanslagen terecht waren opgelegd. De rechtbank vond geen schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, ondanks bezwaren over taalbarrières en vertegenwoordiging.
De opgelegde verzuimboeten werden vernietigd door de inspecteur, en de rechtbank vernietigde ook de vergrijpboeten wegens onvoldoende bewijs van opzet bij belanghebbende. Een verzoek om schadevergoeding wegens beslaglegging werd afgewezen wegens gebrek aan bewijs. De rechtbank kende een vergoeding van het betaalde griffierecht toe en wees een integrale proceskostenvergoeding af. Het beroep werd gegrond verklaard voor de boetebeschikkingen en ongegrond voor de overige punten.
Uitkomst: Naheffingsaanslagen omzetbelasting blijven in stand; boetebeschikkingen worden vernietigd.