ECLI:NL:RBZWB:2022:5545
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van inhoudingen op AOW-uitkering wegens beslag door verhuurder
Eiser ontvangt een AOW-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Na een vonnis van de kantonrechter waarbij eiser hoofdelijk is veroordeeld tot betaling van achterstallige huur, heeft een deurwaarder beslag gelegd op zijn uitkering. De SVB heeft daarop een bedrag van €153,21 per maand ingehouden op de AOW-uitkering van eiser. Eiser maakte bezwaar tegen deze inhouding, maar dit werd door de SVB ongegrond verklaard.
Eiser betwist in zijn beroep de vordering van de verhuurder en stelt dat hij een opschortingsrecht heeft uitgeoefend. Tevens voert hij aan dat het vonnis nietig is en dat de beslagvrije voet onjuist is vastgesteld. De rechtbank overweegt dat de beslissing van de SVB een bestuursrechtelijk besluit is waartegen bezwaar en beroep mogelijk is, maar dat de geldigheid van het beslag en het vonnis aan de burgerlijke rechter toekomt.
De rechtbank stelt vast dat de SVB bij de inhouding rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet en niet buiten de kaders van het beslag is getreden. Daarom is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigt het bestreden besluit.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de inhoudingen op zijn AOW-uitkering wordt ongegrond verklaard en het besluit van de SVB bekrachtigd.