Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd over december 2017, inclusief belastingrente. Na afwijzing van bezwaar stelde belanghebbende beroep in bij de rechtbank. De kern van het geschil betrof de juistheid van de berekende belastingrente, waarbij belanghebbende stelde dat rente over januari 2018 niet verschuldigd was en dat rente over de periode na betaling onterecht was berekend.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur de belastingrente correct had berekend conform artikel 30h van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De rechtbank verwierp het betoog van belanghebbende dat eerdere betalingen in mindering moesten worden gebracht bij de rente, omdat de belastingrenteregeling gebaseerd is op verzuim en niet op compensatie. Ook het beroep op begunstigend beleid faalde omdat dit beleid was ingetrokken vóór de periode waarover rente werd berekend.
Verder wees de rechtbank het verzoek tot vergoeding van integrale proceskosten af, omdat geen sprake was van onzorgvuldig handelen of een beschikking die geen stand zou houden. Ten slotte werd het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn niet toegekend, omdat een dergelijke vergoeding reeds in een samenhangende zaak was toegekend. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag en belastingrente wordt ongegrond verklaard.