Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een buitenlandse entiteit gevestigd in Luxemburg, heeft beroep ingesteld tegen uitspraken van de inspecteur die verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2006 tot en met 2012 afwezen.
De rechtbank heeft tijdens een regiezitting op 7 juni 2021 het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en de beroepen inhoudelijk behandeld. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat op grond van Unierecht recht bestaat op teruggaaf omdat zij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi).
De rechtbank oordeelde dat voor verzoeken vanaf boekjaar 2008 het regime van de afdrachtvermindering geldt en daarvoor de voormalige teruggaafregeling voor fbi’s relevant is. De inspecteur heeft de verzoeken terecht afgewezen omdat belanghebbende niet heeft ingestemd met een vervangende betaling zoals voorgeschreven door de Hoge Raad. De rechtbank ziet geen aanleiding voor prejudiciële vragen of andere rechtsherstelmaatregelen.
Verder oordeelde de rechtbank dat de afwijzing van verzoeken onder het regime van de afdrachtvermindering terecht is, gelet op de Hoge Raad die heeft beslist dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het niet toekennen van tegemoetkoming aan buitenlandse beleggingsinstellingen die niet inhoudingsplichtig zijn.
De beroepen zijn daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting af.