Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 22 december 2022 de beroepen van drie minderjarige belanghebbenden behandeld tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over meerdere jaren. De aanslagen betroffen box 3-heffing die aan de ouders van de minderjarigen werd toegerekend. De rechtbank beoordeelde onder meer het hoor- en inzagerecht, het vertrouwensbeginsel, individuele en buitensporige last, en de toepassing van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021.
De rechtbank oordeelde dat het hoor- en inzagerecht en het vertrouwensbeginsel niet waren geschonden en dat geen sprake was van een individuele en buitensporige last voor de minderjarigen, aangezien de belasting door de ouders werd betaald. Wel werd geoordeeld dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van de ouders voor de jaren 2018 tot en met 2020 moest worden verlaagd conform het arrest van de Hoge Raad, wat ook het aandeel van de minderjarigen daarin beïnvloedde. De rechtbank vernietigde de uitspraken op bezwaar met betrekking tot deze jaren en verklaarde de beroepen gegrond.
Daarnaast kende de rechtbank dwangsommen toe wegens te late beslissingen van de inspecteur op bezwaren over de jaren 2015, 2018 tot en met 2020. De rechtbank wees ook proceskosten en griffierechten toe aan de belanghebbenden. Verzoeken om schadevergoeding werden afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van geleden schade. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de uitspraken op bezwaar over de jaren 2018-2020, vermindert het belastbaar inkomen en kent dwangsommen en proceskosten toe aan de belanghebbenden.