ECLI:NL:RBZWB:2022:887
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op afwijking dagloonberekening WIA en toeslagmaximering
Eiseres ontving een WW-uitkering en maakte gebruik van de startersregeling als zelfstandige, waarna haar WW-uitkering werd beëindigd. Na het stoppen met zelfstandige arbeid hervatte zij de WW-uitkering en kreeg later een WIA-uitkering toegekend. De hoogte van het dagloon en de toeslag bij de WIA-uitkering was lager dan bij eerdere uitkeringen, vanwege een andere referteperiode en het niet meetellen van inkomsten uit zelfstandige arbeid.
Eiseres stelde dat het UWV onvolledige informatie had verstrekt en dat zij mocht vertrouwen op een hoger dagloon, en voerde aan dat de dagloonbepalingen en toeslagmaximering buiten toepassing moesten worden gelaten op grond van het vertrouwensbeginsel, het materiële rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Tevens deed zij een beroep op een hardheidsclausule en verzocht zij om schadevergoeding.
De rechtbank oordeelde dat de dagloon- en toeslagbepalingen dwingendrechtelijk zijn en dat geen bijzondere omstandigheden waren gesteld die afwijking rechtvaardigen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen toezeggingen waren gedaan die een gerechtvaardigde verwachting schepten. Ook het beroep op de hardheidsclausule en schadevergoeding werd verworpen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de vaststelling van het WIA-dagloon en de toeslag wordt ongegrond verklaard.