Belanghebbende, een buitenlands beleggingsfonds gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2013-2016. De rechtbank heeft de zaken zonder mondelinge behandeling behandeld, met instemming van beide partijen.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. De Hoge Raad heeft immers vastgesteld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor de afdrachtvermindering, omdat zij niet inhoudingsplichtig zijn voor dividendbelasting in Nederland.
Belanghebbende heeft geen nieuwe argumenten aangedragen die aanleiding geven tot een ander oordeel of tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Ook de verwijzingen naar eerdere arresten van het Hof van Justitie kunnen het oordeel van de Hoge Raad niet wijzigen.
De rechtbank merkt op dat zelfs als sprake zou zijn van een belemmering van het vrije verkeer van kapitaal, belanghebbende daar geen voordeel van zou kunnen hebben omdat rechtsherstel volgens de Hoge Raad zou plaatsvinden via een vervangende betaling, die niet tot een hogere teruggaaf kan leiden.
Ten slotte is het beroep namens de participant(en) in het fonds niet ontvankelijk omdat hun identiteit niet is opgegeven en er geen onderbouwing is gegeven voor hun aanspraak op teruggaaf. De beroepen worden ongegrond verklaard en belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.