Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
zelfsals teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting niet zou afstuiten op (i) de principiële onvergelijkbaarheid, (ii) de afwezigheid van benadeling, (iii) de eisen die aan een fbi worden gesteld, en (iv) de aanwezigheid van een rechtvaardiging in de vorm van het coherentiebeginsel, er geen grond is voor teruggaaf omdat de belemmering wordt geneutraliseerd in de ‘woonstaat’ Duitsland, gegeven de Duitse fiscale behandeling van (de deelnemers in) een Publikum Sondervermögen ter zake van buitenlandse dividenden en daarop ingehouden buitenlandse bronbelasting. [6] Uit de regiezittingen kwam naar voren dat die opvatting van de inspecteur niet alleen betrekking heeft op de jaren die aan de orde zijn in de Deka-procedure, maar ook op jaren daarna. Het belang om duidelijkheid te krijgen over de juistheid van die rechtsopvatting van de inspecteur is evident, mocht blijken dat het uitgangspunt van principiële onvergelijkbaarheid onjuist is vanuit unierechtelijk perspectief. Immers, indien die rechtsopvatting van de inspecteur juist is, zou teruggaaf daarop afstuiten en dus bijvoorbeeld een onderzoek of het desbetreffende Publikum Sondervermögen voldoet aan de fbi-eisen niet nodig zijn. Verder merkt dat rechtbank op dat de inspecteur heeft gemeld dat zo’n 15 percent van de aanhangige verzoeken van Duitse fondsen zaken zijn van een Publikum Sondervermögen. Uitgaande van zo’n 9.000 aanhangige verzoeken (die zich deels in de rechterlijke fase bevinden), gaat het dus om zo’n ruim 1.350 verzoeken. De inspecteur heeft gemeld dat het betrokken geldelijke belang bij de zaken van Publikum Sondervermögens bovendien zeer groot is. Verder kan duidelijkheid over de juistheid van de rechtsopvatting van de inspecteur over woonstaatneutralisatie mogelijk ook van belang zijn voor de aanhangige verzoeken van Spezial-Sondervermögens (zo’n 7.200).
inhoudingsvermindering, dat wil zeggen indien de vermindering zou plaatsvinden door middel van een lager bedrag aan inhouding van dividendbelasting op door een fbi uitgekeerde dividenden. Steun voor de opvatting dat de afdrachtvermindering juridisch ten goede komt aan de fbi is te vinden in de wetsgeschiedenis: het bedrag aan afdrachtvermindering verhoogt de winst van de fbi (Kamerstukken II, 2007/08, 31 206, nr. 6, p. 11-12). Gelet op dit een en ander, is er naar de opvatting van de rechtbank – in het kader van de vraag of sprake is van een belemmering – geen wezenlijk verschil tussen een teruggaaf en een afdrachtvermindering: beide komen ten goede aan de fbi, zijn bedoeld als tegemoetkoming in verband met eerder van de fbi geheven dividendbelasting op ontvangen dividend, en hebben als doel het voorkomen van economische dubbele belasting.
volledigewoonstaatneutralisatie. Nu het hier om een CIV gaat moet volgens de inspecteur, mede gelet op het in 4.3.1 vermelde ‘OESO-gedachtegoed’, bij de beoordeling of sprake is van woonstaatneutralisatie, er rekening mee worden gehouden dat de Duitse particuliere deelnemers de Nederlandse dividendbelasting hebben kunnen verrekenen. Het verrekeningsrecht dat belanghebbende op grond van het Belastingverdrag heeft ter zake van de Nederlandse dividendbelasting, is immers doorgegeven aan de Duitse particuliere deelnemers Voor de jaren 2004 tot en met 2008 bepleit de inspecteur een ‘voor zover’-benadering: als al sprake is van een belemmering, dan is deze voor 50 respectievelijk 60 percent geneutraliseerd.
5.Proceskosten
6.Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- wijzigt de teruggaafbeschikkingen met betrekking tot de jaren 2002/2003 tot en met 2006/2007 tot teruggave van de bedragen die zijn vermeld in 4.8.2;
- draagt de inspecteur op om belastingrente te vergoeden op grond van artikel 30ha van de AWR in verband met deze teruggaven overeenkomstig wat in 4.9.2 is vermeld;
- handhaaft de overige teruggaafbeschikkingen;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: