Belanghebbende maakte bezwaar tegen de voldoening van BPM over mei 2019 voor zes auto’s. De inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank constateerde aanvankelijk dat zij niet over alle stukken beschikte, waarna aanvullende stukken werden ingediend en het beroep op twee zittingen werd behandeld.
De rechtbank oordeelde dat het griffierecht rechtmatig was geheven en dat het hoorrecht niet was geschonden, omdat de gemachtigde was gehoord. De bewijslast rustte op belanghebbende om een afwijking van de afschrijvingstabel aannemelijk te maken. De inspecteur had onderzoek gedaan naar teruggaaf op grond van artikel 16a Wet Bpm en leeftijdskorting, en belanghebbende betwistte dit onvoldoende.
De rechtbank kende teruggaaf BPM toe voor een bedrag van €566. Over rentevergoeding oordeelde zij dat zij niet bevoegd was hierover te beslissen in deze procedure. Belanghebbende kreeg een immateriële schadevergoeding van €2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan een deel voor rekening van de inspecteur en een deel voor de minister. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht. De rechtbank wees verzoeken om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie af.