ECLI:NL:RBZWB:2023:4576
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en vergoeding immateriële schade
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar op € 313.000 was vastgesteld. De rechtbank beoordeelde of deze waarde te hoog was vastgesteld, waarbij de vergelijkingsmethode met meerdere referentiewoningen centraal stond. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix en verkoopgegevens van vergelijkbare woningen.
Belanghebbende betwistte de gehanteerde vergelijkingsobjecten en de indexering van verkoopprijzen, maar de rechtbank oordeelde dat de gehanteerde vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar waren en dat de indexering voldoende inzichtelijk was gemaakt. Ook was er geen sprake van het niet verstrekken van KOUDV-factoren.
De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep met circa zes maanden was overschreden, waarvoor belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 50 toekwam. De rechtbank veroordeelde de heffingsambtenaar en de Minister tot betaling van deze vergoeding en tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en aanslag gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt geen teruggaaf van het griffierecht, maar wel een beperkte vergoeding voor immateriële schade en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en belanghebbende ontvangt een beperkte vergoeding voor immateriële schade wegens termijnoverschrijding.