ECLI:NL:RBZWB:2023:5180
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- S. Hindriks
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke tussenuitspraak over omgevingsvergunning bouw woongebouwen en parkeerbeleid
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 19 juli 2023 een tussenuitspraak gedaan in de zaken AWB-22_5433 en 22_5576 betreffende beroepen tegen een omgevingsvergunning voor de bouw van twee woongebouwen met 20 appartementen in [plaatsnaam 1]. Het college had de vergunning verleend ondanks dat het bouwplan afwijkt van het bestemmingsplan, onder meer door toevoeging van woningen en overschrijding van de maximale goothoogte.
De rechtbank beoordeelde verschillende geschilpunten, waaronder mogelijke onaanvaardbare gevolgen voor omliggende panden, stikstofdepositie op Natura 2000-gebied, het toepassen van de kruimelgevallenregeling voor hogere goothoogte, het ontbreken van een omgevingsdialoog en de naleving van het gemeentelijke parkeerbeleid. De rechtbank oordeelde dat het college voldoende aannemelijkheid had gegeven dat het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit en dat er geen evidente privaatrechtelijke belemmeringen zijn.
Ten aanzien van stikstofdepositie werd het beroep niet inhoudelijk behandeld vanwege het relativiteitsbeginsel. De rechtbank stelde vast dat het college onvoldoende had onderbouwd dat het parkeerbeleid werd nageleefd, omdat de parkeeronderzoeken niet alle relevante tijdstippen omvatten en niet specifiek waren toegespitst op de directe omgeving van de woongebouwen.
Daarom gaf de rechtbank het college de gelegenheid binnen zes weken het gebrek te herstellen door een nieuw of aanvullend parkeeronderzoek te verrichten conform de parkeernota. De rechtbank houdt de verdere beslissing aan totdat de nieuwe onderbouwing is ontvangen en beoordeeld.
De uitspraak is een tussenuitspraak en het hoger beroep staat nog niet open. De rechtbank wijst erop dat de omgevingsvergunning rechtmatig wordt getoetst zoals verleend en dat afwijkingen van de tekeningen een handhavingskwestie zijn die niet in deze procedure aan de orde zijn.
Uitkomst: Het college krijgt zes weken de gelegenheid om de onderbouwing van het parkeerbeleid te herstellen; de verdere beslissing wordt aangehouden.