ECLI:NL:RBZWB:2023:5194
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting woning en schuur wegens drugshandel
Verzoekster maakte bezwaar tegen het besluit van de burgemeester om haar woning en schuur te sluiten voor een maand vanwege de vondst van aanzienlijke hoeveelheden harddrugs in de schuur. De burgemeester baseerde zijn besluit op artikel 13b van de Opiumwet en het gemeentelijk handhavingsbeleid.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting van zowel de schuur als de woning, omdat deze als een samenhangend geheel worden beschouwd. De aanwezigheid van handelshoeveelheden drugs en verpakkingsmateriaal maakte aannemelijk dat de woning een rol speelde in drugshandel, wat sluiting noodzakelijk en proportioneel maakte.
Verzoekster voerde aan dat de woning niet gesloten hoefde te worden, dat de sluiting disproportioneel was en dat de begunstigingstermijn te kort was. De voorzieningenrechter verwierp deze argumenten en overwoog dat de burgemeester voldoende rekening had gehouden met persoonlijke omstandigheden door de sluiting te beperken tot een maand en een verlenging van de begunstigingstermijn toe te staan.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen, waardoor de burgemeester mag overgaan tot sluiting. De uitspraak heeft een voorlopig karakter en bindt niet in een eventueel bodemgeding.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van woning en schuur wordt afgewezen, waardoor de burgemeester mag overgaan tot sluiting voor een maand.