ECLI:NL:RBZWB:2023:5196
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting woning en schuur wegens drugshandel
Verzoekster maakte bezwaar tegen het besluit van de burgemeester om haar woning en de bijbehorende schuur te sluiten voor een periode van een maand, vanwege de aanwezigheid van grote hoeveelheden harddrugs in de schuur. De burgemeester baseerde zijn besluit op artikel 13b van de Opiumwet, waarbij de woning en schuur als een samenhangend geheel werden beschouwd.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting, gezien de aangetroffen handelshoeveelheden drugs en de aanwezigheid van verpakkingsmiddelen die duiden op drugshandel. De woning ligt in een kwetsbare wijk waar reeds drugsoverlast is geconstateerd, wat de noodzaak van sluiting versterkt. Verzoekster betwistte de noodzaak van sluiting van de woning zelf, omdat daar geen drugs waren aangetroffen, maar dit werd verworpen.
De belangenafweging toonde aan dat de sluiting een geschikt en noodzakelijk middel is om drugshandel tegen te gaan en de openbare orde te herstellen. De voorzieningenrechter achtte de duur van een maand proportioneel en hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van verzoekster, die niet zodanig waren dat een uitzondering op de sluiting gerechtvaardigd was. De begunstigingstermijn werd verlengd tot 28 juli 2023 om verzoekster gelegenheid te geven haar spullen te halen.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen, waardoor de burgemeester mag overgaan tot sluiting van de woning en schuur voor de opgelegde periode.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van woning en schuur wordt afgewezen; de burgemeester mag tot sluiting overgaan.