Eiseres, een transportbedrijf met Turkse chauffeurs, kreeg meerdere boetes opgelegd wegens overtreding van artikel 2, lid 1 van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De eerste boete van €42.000 werd opgelegd voor het inzetten van zeven chauffeurs zonder werkvergunning in de periode mei tot december 2020. Een tweede boete van €12.000 betrof drie chauffeurs zonder vergunning in een latere periode. Daarnaast werd een waarschuwing preventieve stillegging van werk opgelegd en een betalingsregeling vastgesteld.
De rechtbank oordeelt dat de boete van €42.000 terecht is opgelegd, maar verlaagt deze ambtshalve tot €28.000 vanwege nieuwe jurisprudentie over opzet en matigt deze verder met 5% wegens overschrijding van de redelijke beslistermijn, waardoor het bedrag op €26.600 komt. De boete van €12.000 blijft in stand. De waarschuwing preventieve stillegging wordt vernietigd omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat rekening is gehouden met de maatschappelijke en economische gevolgen van stillegging.
Het bezwaar tegen de betalingsregeling wordt gegrond verklaard vanwege een motiveringsgebrek over het matigingsverzoek, maar de rechtbank laat de afwijzing van een ruimere regeling in stand. De rechtbank veroordeelt het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres. De minister heeft de overtredingen voldoende bewezen en de boetes zijn op goede gronden opgelegd, zij het met aanpassingen in hoogte en motivering.