ECLI:NL:RVS:2023:2862
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- E.A. Minderhoud
- N.H. van den Biggelaar
- Rechtspraak.nl
Vermindering bestuurlijke boete wegens overschrijding redelijke termijn bij overtreding Arbeidstijdenwet
Bij besluit van 8 februari 2018 legde de minister van Infrastructuur en Waterstaat aan appellant een boete van €41.000 op wegens het niet goed registreren van rust- en arbeidstijden, in strijd met artikel 4:3, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet (Atw). De boete was gebaseerd op een boeterapport van de Inspectie Leefomgeving en Transport, waarin werd vastgesteld dat appellant 85 keer de registratieplicht had overtreden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het nemo tenetur-beginsel niet van toepassing was omdat er bij de bedrijfsinspectie nog geen sprake was van een ‘criminal charge’. Appellant stelde in hoger beroep dat de administratie onrechtmatig was verkregen en dat de boete gematigd moest worden vanwege onevenredigheid en overschrijding van de redelijke termijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de bedrijfsinspectie geen ‘criminal charge’ vormde en dat de gebruikte gegevens onafhankelijk van de wil van appellant bestonden. De boeteoplegging was conform beleidsregels en niet onrechtmatig. Wel was de redelijke termijn van de procedure met 25 maanden overschreden, waardoor de boete met 25% werd gematigd tot €30.750. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het eerdere besluit vernietigd en de boete aangepast.
Daarnaast werd appellant een deel van de proceskosten toegekend en het griffierecht vergoed. De uitspraak trad in de plaats van het vernietigde besluit en bevestigde dat de boeteoplegging destijds niet onrechtmatig was genomen.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt gematigd tot €30.750 wegens overschrijding van de redelijke termijn.