Verzoekster is eigenaresse van een woning waarin drugs en druggerelateerde attributen zijn aangetroffen, waaronder 22,5 xtc-pillen en 9,2 gram hennep. De burgemeester besloot de woning te sluiten voor één maand op grond van artikel 13b van de Opiumwet, na een eerdere voorgenomen sluiting van drie maanden.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bevoegd is tot sluiting op basis van de aangetroffen hoeveelheden hard- en softdrugs en de ligging in een kwetsbare wijk. Echter, er is geen bewijs van feitelijke handel vanuit de woning en er zijn geen overlastmeldingen of aanwijzingen van dealactiviteiten. De burgemeester heeft onvoldoende gemotiveerd waarom sluiting noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat.
Daarnaast weegt de rechter mee dat verzoekster geen verwijt kan worden gemaakt, omdat zij niet op de hoogte was van de harddrugs en redelijk toezicht hield op haar meerderjarige zoon. De sluiting zou grote negatieve gevolgen hebben voor de minderjarige kinderen, die recent een stabiele thuissituatie hebben gevonden.
Gelet hierop wordt het besluit tot sluiting geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens wordt de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekster.