ECLI:NL:RBZWB:2023:8722
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vaststelling dagloon WIA-uitkering bij detentieperiode
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het door het UWV vastgestelde dagloon van €68,48 voor zijn WIA-uitkering, omdat het UWV geen rekening hield met de periode dat hij in detentie zat. Hij stelt dat deze periode gelijkgesteld moet worden aan onbetaald verlof en buiten de referteperiode gelaten moet worden, wat zou leiden tot een hoger dagloon.
De rechtbank oordeelt dat het Dagloonbesluit en artikel 13 van Pro de Wet WIA dwingendrechtelijk zijn en dat detentie niet als verlof kan worden aangemerkt. De rechtbank volgt de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep waarin is vastgesteld dat detentie geen uitzondering vormt voor de berekening van het dagloon. Het feit dat eiser tussentijds is gaan werken en zijn dienstverband niet is beëindigd, verandert hier niets aan.
De rechtbank overweegt verder dat het welvaartsniveau wordt bepaald door het daadwerkelijk genoten loon in de referteperiode, waardoor periodes zonder loon invloed hebben op het dagloon. De rechtbank wijst het beroep af en kent geen proceskostenvergoeding toe. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het vastgestelde dagloon wordt ongegrond verklaard en het dagloon van €68,48 blijft van kracht.