Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2024 in de zaak tussen
de inspecteur van de belastingdienst (de inspecteur).
Inleiding
- 2018 (zaaknummer 23/3926);
- 2019 (zaaknummer 23/3927).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een buitenlandse belegger uit het Verenigd Koninkrijk, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2018 en 2019. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten omdat beide partijen geen behoefte hadden aan een mondelinge behandeling.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. Dit volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, die bepaalt dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor de afdrachtvermindering dividendbelasting. De rechtbank ziet geen reden om hiervan af te wijken of prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
Zelfs indien sprake zou zijn van een belemmering, zou belanghebbende geen voordeel behalen omdat het rechtsherstel volgens de Hoge Raad plaatsvindt via een vervangende betaling, waardoor teruggaaf niet hoger kan zijn dan deze betaling. De rechtbank acht ook de verwijzingen naar het arrest L-Fundis en uitspraken van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch niet relevant voor een ander oordeel.
De overige verweren van de inspecteur behoeven geen behandeling. Omdat geen recht op teruggaaf bestaat, is ook geen rentevergoeding verschuldigd. De beroepen worden ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en proceskosten worden niet vergoed.
Uitkomst: De beroepen van belanghebbende tegen de afwijzing van teruggaaf dividendbelasting worden ongegrond verklaard.