De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur inzake de fiscale eenheid voor de omzetbelasting. De inspecteur had belanghebbende samen met C.V. 1, C.V. 2 en B.V. per 1 december 2020 als fiscale eenheid aangemerkt, maar C.V. 1 met terugwerkende kracht verwijderd.
De rechtbank beoordeelde of belanghebbende, C.V. 2 en B.V. een fiscale eenheid vormden. Niet in geschil was dat C.V. 2 vanaf 21 augustus 2021 niet meer tot de fiscale eenheid behoorde. De rechtbank concludeerde dat belanghebbende en B.V. vanaf 1 december 2020 een fiscale eenheid vormden, omdat zij financieel, organisatorisch en economisch verweven zijn. De heer [naam] is indirect bestuurder van beide en belanghebbende verhuurt een pand aan B.V. met substantiële omzet.
Voor C.V. 2 stelde de rechtbank vast dat er geen economische verwevenheid bestond. De inspecteur had dit niet aannemelijk gemaakt en belanghebbende had gemotiveerd betwist dat er sprake was van meer dan een kleine betaling. Hierdoor behoorde C.V. 2 niet tot de fiscale eenheid. De uitspraak op bezwaar werd vernietigd voor zover deze C.V. 2 betrof. De inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.