Belanghebbende, een holdingmaatschappij, en [C BV], een exploitant van een cafetaria en ijssalon, zijn financieel en organisatorisch nauw verweven. De inspecteur had bij beschikking van 4 november 2020 deze vennootschappen als één ondernemer aangemerkt voor de omzetbelasting, wat belanghebbende betwistte. De rechtbank oordeelde dat [B CV] geen deel meer uitmaakte van de fiscale eenheid, maar dat belanghebbende en [C BV] wel een fiscale eenheid vormden.
In hoger beroep stond centraal of de beschikking fiscale eenheid ten aanzien van belanghebbende en [C BV] terecht was. Het hof stelde vast dat de heer [naam] via een andere vennootschap bestuurder is van beide entiteiten, wat organisatorische verwevenheid impliceert. Daarnaast was er sprake van niet verwaarloosbare economische betrekkingen, aangezien belanghebbende een substantieel deel van haar omzet behaalde met verhuur van pand en inventaris aan [C BV].
Het hof verwierp het verweer van belanghebbende dat organisatorische en economische verwevenheid ontbraken, en bevestigde dat de vennootschappen als één ondernemer moeten worden aangemerkt voor de omzetbelasting. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.