Eiser ontvangt sinds 2015 een bijstandsuitkering en heeft vanaf 2020 deelgenomen aan diverse re-integratietrajecten. In maart 2023 meldde hij zich af vanwege zorgtaken voor zijn echtgenote en kinderen. Het college bood hem een passende vacature als nachtportier aan, rekening houdend met zijn werktijdenwensen en met ondersteuning voor zijn thuissituatie. Eiser weigerde deze vacature, ondanks bedenktijd en hernieuwd aanbod, waarna het college op 5 juni 2023 een maatregel oplegde die zijn bijstandsuitkering met 100% voor één maand verlaagde.
Eiser voerde aan dat hij gegronde redenen had voor weigering vanwege de combinatie van nachtwerk en zorgtaken, en dat de aangeboden hulp niet concreet was. Ook stelde hij dat de maatregel ingrijpende financiële gevolgen had voor zijn gezin en verzocht hij om toepassing van de inkeerregeling. De rechtbank oordeelde dat het college voldoende maatwerk had geleverd en rekening had gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser. De weigering van de vacature was verwijtbaar en er waren geen dringende redenen om de maatregel af te stemmen.
De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij na oplegging van de maatregel zijn verplichtingen was nagekomen, waardoor toepassing van de inkeerregeling niet aan de orde was. Het beroep werd ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiser geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.