Belanghebbende, gevestigd in Duitsland, heeft beroepschriften ingediend tegen de afwijzing door de inspecteur van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2012 tot en met 2017. De rechtbank heeft de zaken samengevoegd en beoordeeld zonder zitting, aangezien beide partijen geen zitting wensten.
Belanghebbende stelde dat op grond van het Unierecht recht bestaat op teruggaaf omdat zij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi). De rechtbank verwijst naar het overgangsrecht van de Wet Overige fiscale maatregelen 2008 en de jurisprudentie van de Hoge Raad, die heeft geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het ontbreken van teruggaaf aan buitenlandse beleggingsinstellingen.
De rechtbank ziet geen reden om af te wijken van deze jurisprudentie of prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Ook het beroep op het arrest L-Fundis en uitspraken van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch leiden niet tot een ander oordeel. Zelfs bij een mogelijke belemmering zou rechtsherstel plaatsvinden via een vervangende betaling, wat niet tot teruggaaf leidt.
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst het verzoek om teruggaaf en rente af. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.