Belanghebbende, gevestigd in Luxemburg, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2018, 2019 en 2020. De rechtbank heeft de zaken samengevoegd en beoordeeld zonder zitting, waarbij de inspecteur geen gebruik maakte van het recht op zitting.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. Belanghebbende beroept zich op het Unierecht en stelt dat zij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi), waardoor recht op teruggaaf zou bestaan. De rechtbank volgt echter de jurisprudentie van de Hoge Raad, die heeft bepaald dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het ontbreken van een tegemoetkoming voor buitenlandse beleggingsinstellingen die niet inhoudingsplichtig zijn.
De rechtbank ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie en wijst het beroep af. Ook een eventueel rechtsherstel met vervangende betaling zou niet tot teruggaaf leiden. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van rente of proceskosten. De beroepen worden ongegrond verklaard en het griffierecht wordt niet teruggegeven.