Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2024 in de zaak tussen
de inspecteur van de belastingdienst (de inspecteur).
Inleiding
- 2019 (zaaknummer 24/1158);
- 2020 (zaaknummer 24/1159).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een buitenlandse belegger, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2018, 2019 en 2020. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten omdat geen van de partijen gebruik wilde maken van het recht op mondelinge behandeling.
De kern van het geschil betreft de vraag of belanghebbende, die zich vergelijkt met een fiscale beleggingsinstelling (fbi), recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting op grond van het Unierecht en het overgangsrecht van de wet Overige fiscale maatregelen 2008. De rechtbank volgt de jurisprudentie van de Hoge Raad die bepaalt dat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor afdrachtvermindering, en ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken of prejudiciële vragen te stellen.
Ook bij een eventuele onrechtmatige belemmering van het vrije kapitaalverkeer zou belanghebbende geen voordeel behalen, omdat rechtsherstel volgens de Hoge Raad plaatsvindt via een vervangende betaling die de teruggaaf beperkt. De rechtbank acht de voorgeschreven wijze van rechtsherstel verenigbaar met het Unierecht en wijst de beroepen ongegrond. Belanghebbende krijgt geen teruggaaf, geen rentevergoeding en geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De beroepen van belanghebbende tegen de afwijzing van teruggaaf dividendbelasting worden ongegrond verklaard.