Uitspraak
1.de vennootschap onder firma [opposant 1] V.O.F.,
[opposant 2],
[opposant 3],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De werknemer vorderde betaling van een persoonlijke toeslag en vergoeding van overuren van haar voormalige werkgever, een vennootschap onder firma waarvan één vennoot failliet werd verklaard. Het geding tegen de failliete vennoot werd geschorst, zodat de procedure zich richtte op de overige vennoten.
De kantonrechter oordeelde dat de werknemer vanaf juni 2014 de functie van Meewerkend voorman bekleedde, met een persoonlijke toeslag van € 665,81 bruto per maand, die eindigde op 1 januari 2019 toen zij terugkeerde naar haar oude functie. De vordering tot betaling van een aangepaste toeslag van € 34.980,56 bruto werd toegewezen.
De vordering tot vergoeding van overuren werd grotendeels afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing, maar de mondelinge afspraak om maandelijks 15 overuren te betalen werd nietig verklaard. De vennoten werden veroordeeld om de loonwaarde van het overurensaldo ineens te voldoen vanaf 1 juni 2020 tot het einde van de arbeidsovereenkomst.
Daarnaast werden wettelijke verhoging van 10%, buitengerechtelijke incassokosten van € 1.124,81 en wettelijke rente vanaf 11 mei 2020 toegewezen. De vennoten werden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van deze bedragen, het overleggen van correcte loonstroken en pensioenafdracht, en tot wedertewerkstelling van de werknemer. Het verstekvonnis van mei 2020 werd vernietigd behalve de proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De vennoten worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van persoonlijke toeslag, overuren, wettelijke verhoging, incassokosten en rente, en tot wedertewerkstelling van de werknemer.