Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 20 juni 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
4.7 Tapverslagen
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, enig aandeelhouder en bestuurder van een vennootschap, werd geconfronteerd met naheffingsaanslagen accijns en voorraadheffing over rode diesel geleverd aan zijn bedrijf in de jaren 2015-2018. Na vernietiging van de eerste naheffingsaanslag legde de inspecteur een tweede naheffingsaanslag op over de jaren 2017-2018, gebaseerd op gegevens van Belgische autoriteiten en een onderzoek van de Belastingdienst.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen de eerste naheffingsaanslag niet-ontvankelijk is omdat het procesbelang is komen te vervallen door het intrekken van deze aanslag. Het beroep tegen de tweede naheffingsaanslag is ontvankelijk ondanks een te late indiening, omdat de termijnoverschrijding verschoonbaar is verklaard.
Uit tapgesprekken, verklaringen van een medewerker en doorzoekingen blijkt dat belanghebbende de rode diesel in Nederland voorhanden heeft gehad en daarmee accijns verschuldigd is. De rechtbank bevestigt de juistheid en hoogte van de tweede naheffingsaanslag en belastingrente. De inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten voor het niet-ontvankelijke beroep, maar belanghebbende krijgt geen kostenvergoeding voor het ongegrond verklaarde beroep tegen de tweede naheffingsaanslag.
Uitkomst: Het beroep tegen de eerste naheffingsaanslag is niet-ontvankelijk, het beroep tegen de tweede naheffingsaanslag is ongegrond en de aanslag blijft in stand.