Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juli 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
Motivering
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep dat ziet op het verzoek om een dwangsom gegrond;
- stelt de door de heffingsambtenaar verbeurde dwangsom vast op € 1.442, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 december 2021 tot het tijdstip van voldoening;
- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.500;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van de proceskosten van belanghebbende van € 122,61;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 49 aan belanghebbende moet vergoeden;
- beslist dat, voor zover de immateriële schadevergoeding en/of de proceskostenvergoeding en/of het griffierecht niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.