Belanghebbende B.V. had bezwaar gemaakt tegen een aanslag vennootschapsbelasting 2018 en tegen een dwangsombeschikking die de inspecteur had opgelegd wegens het niet tijdig beslissen op dat bezwaar. De inspecteur had het bezwaar tegen de dwangsombeschikking afgewezen en stelde dat de beslistermijn rechtsgeldig was opgeschort.
De rechtbank oordeelt dat het hoorrecht in de bezwaarfase is geschonden en dat deze schending niet kan worden gepasseerd omdat belanghebbende daardoor benadeeld is. De inspecteur heeft onvoldoende bewijs geleverd dat de brief van 11 mei 2021, waarin de beslistermijn zou zijn opgeschort, daadwerkelijk is verzonden. Hierdoor is de beslistermijn niet rechtsgeldig verlengd en liep deze tot 5 juni 2021.
Belanghebbende stelde de inspecteur vervolgens op 8 juni 2021 in gebreke, waarna de inspecteur pas op 2 september 2021 op het bezwaar besliste, ruim na het verstrijken van de beslistermijn. De rechtbank stelt daarom de maximale dwangsom van € 1.442 vast, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 oktober 2021. Een verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen omdat de overschrijding geen financieel belang oplevert.
De inspecteur wordt veroordeeld tot betaling van de dwangsom, wettelijke rente, proceskosten en griffierecht. De rechtbank wijst het beroep toe en vernietigt de eerdere uitspraak op bezwaar en de dwangsombeschikking.