Belanghebbende, een buitenlandse belegger uit Duitsland, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2014 tot en met 2017. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten omdat partijen geen gebruik maakten van het recht op mondelinge behandeling.
De rechtbank overweegt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. Belanghebbende baseert zijn verzoek op het Unierecht en stelt dat hij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi). De rechtbank volgt echter de jurisprudentie van de Hoge Raad, die heeft geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de dividendbelasting via de afdrachtvermindering.
Verder oordeelt de rechtbank dat zelfs indien sprake zou zijn van een belemmering, belanghebbende geen voordeel zou hebben omdat rechtsherstel volgens de Hoge Raad plaatsvindt via een vervangende betaling, die niet hoger kan zijn dan de ingehouden dividendbelasting. De rechtbank ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen of de zaken aan te houden in afwachting van cassatieberoepen.
Ten slotte wijst de rechtbank ook de vordering tot rentevergoeding af en bepaalt dat belanghebbende het griffierecht en proceskosten niet vergoed krijgt. De beroepen worden ongegrond verklaard.