Eiser heeft op 28 februari 2023 een aanvraag ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade voor aanvullende schadevergoeding. Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet binnen de wettelijke termijn beslist, waarna eiser op 22 mei 2024 een ingebrekestelling stuurde. Hoewel eiser het beroep te vroeg indiende, verklaart de rechtbank het beroep ontvankelijk en gegrond omdat verweerder nog steeds geen besluit heeft genomen.
De rechtbank legt aan verweerder op om binnen acht weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen, een termijn die is verlengd vanwege het grote aantal aanvragen dat verweerder moet behandelen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000 voor elke dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van €51 en proceskosten van €437,50 aan eiser. De rechtbank wijst erop dat het beroep zonder zitting is behandeld en dat partijen verzetschrift kunnen indienen binnen zes weken na verzending van de uitspraak.