Belanghebbende, een buitenlandse belegger uit Duitsland, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2015, 2016 en 2017. De rechtbank heeft een zitting achterwege gelaten omdat partijen geen gebruik wilden maken van het recht op mondelinge behandeling.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. Dit volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, die heeft vastgesteld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de afdrachtvermindering. De rechtbank ziet geen reden om hiervan af te wijken of prejudiciële vragen te stellen.
Zelfs als er sprake zou zijn van een belemmering, zou belanghebbende daar niet van profiteren omdat het rechtsherstel volgens de Hoge Raad plaatsvindt via een vervangende betaling, die de teruggaaf beperkt. De rechtbank acht ook de argumenten van belanghebbende over het Duitse fiscale systeem en eerdere uitspraken van het gerechtshof niet doorslaggevend.
De beroepen worden ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter Bastiaansen op 26 augustus 2024 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.