Belanghebbende, een buitenlands beleggingsfonds, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing door de inspecteur van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2016 tot en met 2021. De rechtbank heeft zonder zitting uitspraak gedaan, waarbij de inspecteur geen gebruik maakte van het recht op zitting.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. Dit volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, die heeft vastgesteld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor de afdrachtvermindering dividendbelasting. Belanghebbende kan zich niet beroepen op het Unierecht om teruggaaf te verkrijgen.
Voorts overweegt de rechtbank dat zelfs bij een mogelijke belemmering van het vrije verkeer van kapitaal het voorgeschreven rechtsherstel volgens de Hoge Raad geen teruggaaf zou opleveren, maar slechts een vervangende betaling die niet hoger is dan de ingehouden dividendbelasting. De stelling dat het fbi-regime staatssteun inhoudt, wordt verworpen omdat het niet als selectieve maatregel geldt en rechtspraak geen staatssteun is.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaken aan te houden in afwachting van cassatieberoepen en komt niet toe aan de overige verweren van de inspecteur. De beroepen worden ongegrond verklaard, met afwijzing van teruggaaf, rentevergoeding en proceskostenvergoeding.