Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2013 tot en met 2018. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten omdat beide partijen geen gebruik wilden maken van het recht om te worden gehoord.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. Dit volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad die heeft bepaald dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming via de afdrachtvermindering. Belanghebbendes beroep op het Unierecht en vergelijkbaarheid met een fiscale beleggingsinstelling biedt geen grond voor teruggaaf.
Verder overweegt de rechtbank dat zelfs bij een hypothetische belemmering het rechtsherstel volgens de Hoge Raad zou plaatsvinden via een vervangende betaling, waardoor geen hogere teruggaaf mogelijk is. Ook de argumenten van belanghebbende met verwijzing naar het arrest L-Fundis en uitspraken van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch leiden niet tot een ander oordeel.
Ten aanzien van de deelnemers in het fonds is onvoldoende onderbouwd dat zij aanspraak kunnen maken op teruggaaf, en hun beroep is niet-ontvankelijk vanwege onbekendheid van hun identiteit. De rechtbank wijst de beroepen af, kent geen vergoeding van proceskosten toe en verklaart het griffierecht niet terug.
De uitspraak is gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen op 5 februari 2024 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.