Eiseres heeft op 6 april 2021 een aanvraag ingediend voor herbeoordeling van haar situatie met betrekking tot de kinderopvangtoeslag. Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn op deze aanvraag beslist. Eiseres stelde verweerder op 6 april 2022 in gebreke, waarna zij binnen twee weken beroep kon instellen. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat de beslistermijn is overschreden.
De rechtbank bepaalt dat verweerder alsnog binnen een redelijke termijn moet beslissen. Gezien het grote aantal aanvragen acht de rechtbank een termijn van zes weken voor het verzenden van een vooraankondiging redelijk, gevolgd door een termijn van twee weken na ontvangst van een eventuele zienswijze voor het nemen van het besluit. De rechtbank wijkt hiermee af van een eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam, omdat de situatie hier betreft het niet tijdig beslissen op een aanvraag en niet op bezwaar.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat verweerder de termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Verweerder moet ook het griffierecht van € 51,- en proceskosten van € 437,50 aan eiseres vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 29 augustus 2024.