Eiseres heeft op 22 juni 2023 een aanvraag ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) voor aanvullende schadevergoeding. Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn op deze aanvraag beslist. Eiseres stelde verweerder op 27 juni 2024 in gebreke, waarna verweerder de ingebrekestelling op 1 juli 2024 ontving. Na het verstrijken van de wettelijke termijn zonder besluit, stelde eiseres beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat de beslistermijn is overschreden. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak alsnog moet beslissen, een termijn die is gebaseerd op de reële mogelijkheden van verweerder en het belang van eiseres om tijdig duidelijkheid te krijgen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat verweerder te laat is met beslissen, met een maximum van € 15.000,-. Verweerder moet ook het griffierecht van € 51,- en proceskosten van € 437,50 aan eiseres vergoeden. De rechtbank wijst verzoeken van verweerder om een lagere dwangsom of een kortere termijn af, verwijzend naar eerdere jurisprudentie en het landelijke beleid.