ECLI:NL:RBZWB:2024:7585

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 november 2024
Publicatiedatum
6 november 2024
Zaaknummer
BRE 24/6735
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:12 AwbArt. 6.2 Wet hersteloperatie toeslagen
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt beslissing binnen acht weken en legt dwangsom op wegens niet tijdig beslissen op aanvraag aanvullende compensatie

Eiseres heeft op 26 juli 2023 een aanvraag ingediend bij de Dienst Toeslagen voor aanvullende compensatie voor werkelijke schade. Verweerder heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn op deze aanvraag beslist. Eiseres heeft verweerder op 29 augustus 2024 in gebreke gesteld, waarna zij binnen twee weken beroep instelde wegens het uitblijven van een besluit.

De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat de beslistermijn is overschreden en verweerder nog geen besluit heeft genomen. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen acht weken na verzending van deze uitspraak alsnog moet beslissen, waarbij rekening is gehouden met de omvang van de aanvragen en het belang van een tijdige beslissing.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000. Verweerder moet tevens het griffierecht van €51 aan eiseres vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 6 november 2024.

Uitkomst: Verweerder moet binnen acht weken beslissen en betaalt een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding, met een maximum van €15.000.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6735

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar verzoek (aanvraag) van 26 juli 2023 om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 26 juli 2023. Niet in geschil is dat de beslistermijn [2] is overschreden. Eiseres heeft verweerder op 29 augustus 2024 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn wordt aan verweerder opgelegd?
4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
In het verweerschrift van 9 oktober 2024 verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2024. [3]
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het grote aantal door verweerder te behandelen aanvragen. Onder verwijzing naar en in aansluiting op de motivering in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 augustus 2023 [4] acht de rechtbank in dit geval een termijn van acht weken na verzending van deze uitspraak een redelijke termijn voor het nemen van het besluit. [5] In de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2024 was sprake van een andere situatie (een beroep over het niet tijdig beslissen op bezwaar) dan in de zaak van eiseres (een beroep over het niet op tijd beslissen op een aanvraag), zodat al om die reden geen aanleiding bestaat om de beslistermijnen uit die uitspraak te volgen. In die uitspraak wordt ook uitdrukkelijk overwogen dat de uitspraken van de Afdeling van 23 augustus 2023 alleen ten aanzien van beroepen over het niet op tijd beslissen op bezwaar niet langer worden gevolgd. [6]
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om in afwijking van het landelijke beleid een lagere dwangsom, zoals verzocht door verweerder met verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2024, op te leggen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4.3 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag van eiseres bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van M. Choyoua, griffier, op 6 november 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Artikel 6.2, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen.
5.Artikel 6.7, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen.
6.Zie overweging 3.6 van ECLI:NL:RBROT:2024:6560.