Eiseres heeft op 23 december 2023 een aanvraag ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade voor aanvullende schadevergoeding. Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn op deze aanvraag beslist. Eiseres stelde verweerder op 24 december 2024 in gebreke, waarna verweerder de ingebrekestelling op 31 december 2024 ontving. Na het verstrijken van de termijn van twee weken zonder besluit, stelde eiseres beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder de beslistermijn heeft overschreden. Hoewel de wettelijke termijn twee weken bedraagt, acht de rechtbank in dit geval een termijn van negen weken redelijk vanwege het grote aantal aanvragen dat verweerder moet behandelen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom van € 100,- per dag op, met een maximum van € 15.000,-, om verweerder te stimuleren binnen de gestelde termijn een besluit te nemen.
Daarnaast bepaalt de rechtbank dat verweerder het griffierecht van € 53,- en een proceskostenvergoeding van € 453,50 aan eiseres moet betalen. De rechtbank wijst verzoeken van verweerder af om een lagere dwangsom of een afwijkende wegingsfactor voor de proceskostenvergoeding toe te passen. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 20 maart 2025.