Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar door de Dienst Toeslagen, nadat de rechtbank in juli 2024 reeds een termijn had gesteld voor een beslissing. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is, omdat verweerder niet binnen de gestelde termijn heeft besloten.
De rechtbank sluit aan bij de recente lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke termijn voorschrijft voor soortgelijke zaken. Omdat deze termijn op 2 mei 2024 is verstreken, moet verweerder uiterlijk 26 juni 2025 alsnog een besluit nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Verweerder wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 30 april 2025.