Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tussen eiser, vertegenwoordigd door mr. B. Mous, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg. Eiser had een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor verschillende inboedelkosten, waaronder een bed, verlichting, gordijnen, een vriezer, een wasdroger, een televisie, een keukenstoel en een nachtkastje. Het college heeft de aanvraag gedeeltelijk afgewezen, wat eiser niet kon accepteren. De rechtbank heeft de zaak beoordeeld aan de hand van de beroepsgronden van eiser en de relevante feiten en omstandigheden. De rechtbank concludeert dat het college terecht de aanvraag voor de meeste kosten heeft afgewezen, omdat eiser niet heeft aangetoond dat deze kosten noodzakelijk waren. De rechtbank oordeelt dat de kosten voor een bed, verlichting, gordijnen, een vriezer, een wasdroger, een televisie, een keukenstoel en een nachtkastje niet als noodzakelijke kosten van bestaan kunnen worden aangemerkt. Eiser heeft geen bewijs geleverd dat de kosten voor deze goederen zich voordoen of dat er bijzondere omstandigheden zijn die de noodzaak van deze kosten rechtvaardigen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beslissing van het college om de aanvraag gedeeltelijk af te wijzen. Eiser krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten.