Eiseres heeft op 29 november 2023 een aanvraag ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade voor aanvullende schadevergoeding. Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn op deze aanvraag beslist. Eiseres stelde verweerder op 3 december 2024 in gebreke, waarna verweerder de ingebrekestelling op 16 december 2024 ontving. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is ondanks dat eiseres het beroep iets te vroeg instelde, omdat de termijn inmiddels is verstreken en verweerder nog steeds geen besluit heeft genomen.
De rechtbank legt een termijn van negen weken na verzending van deze uitspraak op voor verweerder om alsnog een besluit te nemen, gelet op het grote aantal aanvragen dat verweerder moet behandelen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000 voor elke dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt. Verweerder moet daarnaast het griffierecht van €51 en proceskosten van €453,50 aan eiseres vergoeden.
De rechtbank volgt hiermee de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en wijkt af van eerdere uitspraken van de rechtbank Rotterdam vanwege de andere aard van het beroep (aanvraag versus bezwaar). De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 17 februari 2025.