ECLI:NL:RBZWB:2025:9215

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
25/5924
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake sluiting huurwoning op grond van artikel 13b Opiumwet

Op 23 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over de sluiting van de huurwoning van verzoekster op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De burgemeester van Moerdijk had op 13 oktober 2025 besloten om de woning voor vier maanden te sluiten, omdat er grote hoeveelheden harddrugs en medicijnen in de woning waren aangetroffen. Verzoekster, die de woning huurt van Stichting Woonkwartier, was het niet eens met dit besluit en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelde of het verzoek om een voorlopige voorziening toewijsbaar was, waarbij hij de gronden van verzoekster in overweging nam. Hij concludeerde dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik had kunnen maken. De voorzieningenrechter oordeelde dat de sluiting niet noodzakelijk was, gezien de verminderde verwijtbaarheid van verzoekster en de beperkte noodzaak om de woning te sluiten. De voorzieningenrechter schorste het bestreden besluit en bepaalde dat de burgemeester het griffierecht aan verzoekster moest vergoeden. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige belangenafweging door de burgemeester bij het toepassen van bestuursdwang op basis van de Opiumwet.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5924

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 december 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. S. de Goede),
en

De burgemeester van Moerdijk, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Kranenburg).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Stichting Woonkwartieruit Zevenbergen.

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de huurwoning van verzoekster voor een periode van vier maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe, omdat de burgemeester naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik heeft kunnen maken. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de voorzieningenrechter volgt vanaf 10. Aan het eind staan de beslissing van de voorzieningenrechter en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 13 oktober 2025 heeft de burgemeester verzoekster en de heer [naam] (hierna: [naam] ) op grond van artikel 13b van de Opiumwet gelast de woning aan [adres] in [plaats] (hierna: de woning) te sluiten en gesloten te houden voor een periode van vier maanden, per 24 november 2025, 10.00 uur tot en met 23 maart 2023, op straffe van toepassing van bestuursdwang. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, bijgestaan door haar gemachtigde en de gemachtigde van de burgemeester.

Totstandkoming van het besluit

3. Verzoekster woont sinds 2013 in de woning. Zij huurt de woning van woningcorporatie Stichting Woonkwartier. [naam] is later in de woning komen wonen en is medehuurder geworden. Sinds 31 maart 2020 staat hij op het adres van de woning ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). In oktober 2025 heeft [naam] de (mede)huur opgezegd en per 6 november 2025 is hij in de BRP uitgeschreven op dat adres.
3.1.
Op 26 augustus 2025 heeft de politie een onderzoek ingesteld naar de woning. Tijdens dit onderzoek heeft de politie de woning doorzocht en een grote hoeveelheid harddrugs en medicijnen aangetroffen en in beslag genomen. In een (aanvullende) bestuurlijke rapportage van 5 december 2025 die naar aanleiding van dit onderzoek is opgesteld staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Aanleiding

Naar aanleiding van een ontvangen proces-verbaal van verstrekking informatie vanuit het buitenland is een strafrechtelijk onderzoek opgestart (…). Samengevat is in dat proces-verbaal weergegeven dat de gebruiker van een voertuig met Nederlands kenteken in 2024 en 2025 op verschillende locaties in België pakketten met middelen zoals genoemd op lijst I en II van de Opiumwet en de Geneesmiddelenwet had aangeboden ter verzending naar diverse landen. De pakketten werden onderschept door de douane en bleken grote hoeveelheden benzodiazepines en pillen MDMA (xtc) te bevatten.
Deze NN-persoon is binnen het onderzoek geïdentificeerd. Via de inzet van verschillende bijzondere opsporingsmethoden jegens deze verdachte, zijn verschillende medeverdachten bij het opsporingsteam in beeld gekomen. De verdachten binnen het onderzoek worden er, kort gezegd, van verdacht zich met regelmaat bezig te houden met het verpakken en versturen van postpakketten met verdovende middelen en medicijnen.

Bevindingen

(…)
Zoals reeds vermeld zijn binnen het strafrechtelijk onderzoek verschillende bijzondere opsporingsbevoegdheden ingezet, waaronder het opnemen en beluisteren van de telecommunicatie van verdachte [naam] .

Bevindingen uit de telecommunicatie:

Uit deze gesprekken is onder meer gebleken dat:
  • Dat [naam] zelf pakketten ophaalt bij een van de medeverdachten en dat een andere medeverdachte deze pakketten weer bij [naam] komt ophalen;
  • Dat [naam] tegen een medeverdachte zei dat er twee doosjes voor hem klaar staan, dat dit twee doosjes met ‘medicijntjes’ betreffen en dat ze nog bij de achterdeur staan, een grote doos en een kleine doos. [naam] vraagt vervolgens aan de medeverdachte of hij/zij die wil ophalen.

Bevindingen observatie:

Op 23 juli 2025 werd tijdens een observatie gezien dat een Opel Combo, welke geregistreerd staat op naam van een medeverdachte, geparkeerd stond bij [adres] . Vervolgens werd waargenomen dat [naam] en medeverdachte met elkaar contact hadden en dat er twee grote dozen en een gele zak in de Opel Combo – van medeverdachte - werden geladen. De medeverdachte reed vervolgens met de Opel terug naar zijn woning.
Op 24 juli 2025 werd tijdens een observatie gezien dat deze dozen door de medeverdachte op verschillende postpakketpunten werden ingeleverd. Vervolgens werden deze direct ter plaatse bij de verschillende postpakketpunten inbeslaggenomen. Inmiddels zijn de postpakketten na een machtiging van de rechter-commissaris geopend. Hierin werden de volgende verdovende middelen aangetroffen:
5 sealbags met daarin roze gleuftabletten. Netto 10000 gram, positief op MDMA.
4 sealbags met daarin roze gleuftabletten. Netto 8000 gram, positief op MDMA.
2 sealbags met daarin roze gleuftabletten. Netto 4000 gram, positief op MDMA.
6 sealbags met daarin roze gleuftabletten. Netto 12000 gram, positief op MDMA.
3 sealbags met daarin roze gleuftabletten. Netto 6000 gram, positief op MDMA.
(…)

Bevindingen doorzoeking woning:

Naar aanleiding van voornoemde bevindingen vond er op dinsdag 26 augustus 2025 een doorzoeking ter inbeslagneming plaats in de woning gelegen aan [adres] , [plaats] . De verdachte [naam] werd voorafgaan de doorzoeking aangehouden en in een politievoertuig geplaatst. [verzoekster] arriveerde later bij de woning toen de doorzoeking al aan de gang was.
In de woning werden o.a. onderstaande goederen in beslag genomen:
Er werden 37 postpakketen (kartonnen dozen) aangetroffen. Vervolgens werd deze dozen door de politieambtenaren van de forensische opsporing geopend en werd de inhoud van enkele dozen indicatief geanalyseerd en gewogen. Daaruit kwamen onder andere de volgende bevindingen:
• Medicijnen:
o 1215 tabletten Alrpazolam 1 mg
o 1150 tabletten Zolpidem 1 mg
o 300 capsules Pegabalin 300mg
• Verdovende middelen:
o 1x Doos, inhoud: meerdere verdovende middelen en medicatie met een gewicht van 5.72 kilogram;
- 1020 tabletten Zolpidem 10 mg
- 2060 gram bruto (indicatief positief geteste) MDMA
- 1020 gram bruto (indicatief positief geteste) Ketamine
- 2040 gram bruto (indicatief positief geteste) Ketamine
o 1x Doos, inhoud: meerdere verdovende middelen met een gewicht van 3.64 kilogram;
- 1005 tabletten Alprazolam 1 mg
- 1040 bruto (indicatief positief geteste) Ketamine
- 210 gram bruto -vermoedelijk- 2cb tabletten (moet naar NFI)
- 1215 gram roze XTC tabletten vorm Punisher (indicatief positief geteste) MDMA
• lx Doos, inhoud: een chips zak met daarin 250 gram aan verdovende middelen;
• lx Doos, inhoud: speelgoed verpakking met daarin 500 gram aan roze pillen;
• lx Doos, inhoud: een tomatensoep verpakking met daarin 20 gram aan Ketamine;
• lx Doos, inhoud: een tomatensoep verpakking met daarin 10 gram cocaïne en roze pillen.
In de andere dozen werden ook verdovende middelen aangetroffen en ook diverse medicijnen. Al deze goederen waren in een separate verpakking zoals een tomatensoep verpakking of een zakje chips, in een kartonnen doos verpakt.
Daarnaast werden tijdens de doorzoeking ook verdovende middelen in de vriezer aangetroffen. Ook deze verdovende middelen werden door de politieambtenaren van de forensische opsporing indicatief geanalyseerd en gewogen. Daaruit kwamen onder
andere de volgende bevindingen:
  • Twee vacuümzakken, met daarin Amfetamine met een gewicht van 2 kilogram;
  • Eén plastic beker met daarin Amfetamine met een gewicht van 26 gram.

Rapport Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd

Met betrekking tot de inbeslaggenomen medicijnen is er door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) een rapport productbeoordeling geneesmiddelen opgesteld Hieruit bleken onderstaande bevindingen en conclusie:
De producten Ksalol (1), Belbien (2), Bensedin (3), Pregacare (4), Lorazepam HF (5) en Rivotril (6) voldoen aan de omschrijving van het begrip geneesmiddel als bedoeld in artikel 1 eerste lid, onder b van de Geneesmiddelenwet.
Voor de producten Ksalol (1), Belbien (2), Bensedin (3), Pregacare (4), Lorazepam HF (5) en Rivotril (6) is geen handelsvergunning verleend voor de Nederlandse markt.
De producten vallen niet onder de uitzonderingsbepalingen als bedoeld in artikel 40, derde lid, van de Geneesmiddelenwet.
De werkzame stof in de producten Ksalol (1), Belbien (2), Bensedin (3), Lorazepam HF (5) en Rivotril (6) staan vermeld op lijst II behorende bij de Opiumwet.
De verdachte [naam] beschikt niet over enige bevoegdheid tot het bedrijfsmatig verrichten van activiteiten met een geneesmiddel als bedoeld in de Geneesmiddelenwet en/of met een middel als bedoeld in lijst 1 of II behorende bij de Opiumwet.
(…)

Verdovende middelen:

Beslagcode ‘ [adres] : [code 1]
Geopende bruine kartonnen doos met daarop een verzendlabel met onder andere de tekst ‘Brievenbuspakje+’ en ‘PostNL’. In de bruine kartonnen doos zat een rode kartonnen doos met onder andere de tekst ‘HOLLANDSE TOMATENSOEP’ en een afbeelding van een tomaat. In de rode kartonnen doos zaten 5 transparante kleurloze sealbags waarvan;
één sealbag zonder inhoud,
één sealbag met witte kristallen; geen uitslag door FO, eventueel voor verder onderzoek naar het NFI
één sealbag met wit poeder,
Positief voor cocaïne
één sealbag met crèmekleurige brokjes; geen uitslag door FO, eventueel voor verder onderzoek naar het NFI
één sealbag met 2 lsd zegels geen uitslag door FO, eventueel voor verder onderzoek naar het NFI
In totaal een gewicht van 7,69 gram netto.
Beslagcode [adres] : [code 2]
2 transparante kleurloze sealbags met in elk een transparante kleurloze sealbag met daarin een crèmekleurige pasta.
In totaal een gewicht van 1874,03 gram netto.
Deze crémekleurige pasta werd positief getest op amfetamine.
Beslagcode [adres] : [code 3]
2 transparante kleurloze sealbags met in elk een transparante kleurloze sealbag met daarin lichtbruine brokken.
In totaal een gewicht van 1984,61 gram netto.
Deze lichtbruine brokken werden positief getest op MDMA
Beslagcode [adres] : [code 4]
Transparante kleurloze sealbag met daarin roze gleuftabletten in een diamantvorm. De gleuftabletten hadden aan een zijde een diepdruk van het ‘Punisher’ logo. De breuklijn bestond uit een onderbroken lijn
In totaal een gewicht van 1199,03 gram.
De tabletten werden positief getest op MDMA
(…)”
3.2.
In een brief van 19 september 2025 heeft de burgemeester zijn voornemen kenbaar gemaakt aan verzoekster en [naam] om de woning met toepassing van artikel 13b, eerste lid, Opiumwet voor vier maanden te sluiten.
3.3.
Op 1 oktober 2025 heeft verzoekster een zienswijze ingediend.
3.4.
De burgemeester heeft in de zienswijze geen aanleiding gezien om af te wijken van het voornemen. In het bestreden besluit is de burgemeester overgegaan tot sluiting van de woning voor een periode van vier maanden.
3.5.
Naar aanleiding van het ingediende verzoek om voorlopige voorziening heeft de burgemeester op of omstreeks 20 november 2025 besloten om de voorgenomen sluiting op te schorten tot één week na de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Gronden

4. Verzoekster stelt dat sluiting van de woning voor vier maanden, gelet op het tijdsverloop, niet geschikt is om de doelen te bereiken die de burgemeester met de sluiting nastreeft.
5. Verzoekster stelt dat sluiting van de woning niet noodzakelijk is. Daartoe voert verzoekster aan dat nooit eerder sprake is geweest van (drugsgerelateerde) overlastmeldingen, dat de woning niet bekend staat als drugspand en dat niet is gebleken van handel vanuit de woning of een loop naar de woning. Volgens verzoekster is de openbare orde rond de woning niet aangetast en valt niet in te zien waarom die zou moeten worden hersteld. Verzoekster wijst daarbij op de door haar overgelegde verklaringen van omwonenden. Van gevaar voor herhaling is volgens verzoekster geen sprake meer nu [naam] inmiddels is uitgeschreven en vertrokken uit de woning.
6. Verzoekster stelt daarnaast dat sluiting van de woning niet evenredig is.
Volgens verzoekster is sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die maken dat de sluiting van de woning onevenredige gevolgen zou hebben voor verzoekster, zodat de burgemeester van sluiting zou moeten afzien. Daartoe voert verzoekster aan dat zij een bijzondere binding heeft met de woning en dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van de overtreding die door [naam] is begaan. Verder voert verzoekster aan dat sluiting van de woning grote gevolgen voor haar zou hebben, nu de verhuurder heeft aangekondigd dat bij sluiting van de woning zal worden overgaan tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst. Verzoekster stelt dat zij geen netwerk heeft dat haar kan opvangen en dat het niet lukt om vervangende woonruimte te vinden, zodat zij dakloos zal worden.

Standpunt van de burgemeester

7. De burgemeester stelt dat sluiting van de woning een geschikt middel is om de doelen te bereiken die de burgemeester met de sluiting nastreeft. Het tijdsverloop is volgens de burgemeester niet zodanig dat het doel van de Opiumwet, in dit geval met name de woning aan de drugsketen onttrekken, niet meer behaald zou kunnen worden met een sluiting.
8. Sluiting is volgens de burgemeester noodzakelijk gelet op de zeer aanzienlijke overschrijding van de toegestane gebruikershoeveelheid en omdat uit de bestuurlijke rapportage, in combinatie met de andere hem bekende factoren/rapportages, voldoende aannemelijk en aantoonbaar is dat de woning op enig moment onderdeel is geweest van een grotere drugsketen en als zodanig uit die drugsketen gehaald dient te worden. De burgemeester betwist dat handel via de post een minder grote of zelfs geen impact heeft op de openbare orde. Het feit dat [naam] de woning heeft verlaten neemt de bekendheid van de woning bij derden in de drugsketen volgens de burgemeester nog niet weg. Dat de kans op herhaling klein is, betekent niet dat de noodzaak tot sluiting is komen te vervallen. Volgens de burgemeester hoeft geen sprake te zijn van aantoonbare overlast. Voldoende is dat aannemelijk wordt gemaakt dát een locatie onderdeel is geweest van een drugsketen en dat er nog een noodzaak aanwezig is om te sluiten.
9. Sluiting is volgens de burgemeester evenredig gelet op alle omstandigheden van het geval. Volgens de burgemeester is hier geen sprake van het ontbreken van elke mate van verwijtbaarheid nu verzoekster op de hoogte had kunnen en behoren te zijn van de aanwezigheid van de drugs in de woning, als zij beter had toegezien op het gebruik van de woning door [naam] . Dat de sluiting nadelige gevolgen heeft voor verzoekster maakt de sluiting volgens de burgemeester niet onevenwichtig. Volgens de burgemeester staat zijn sluitingsbevoegdheid los van een eventuele ontbinding van de huurovereenkomst en hoeft hij in zijn belangenafweging geen rekening te houden met eventuele privaatrechtelijke gevolgen. Daarbij wijst de burgemeester erop dat verzoekster niet op een zogenoemde ‘zwarte lijst’ zal worden geplaatst.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
10. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
10.1.
De voorzieningenrechter acht in beginsel spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening aanwezig. Het gaat namelijk om een woningsluiting die een verregaande impact heeft op verzoekster.
Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting over te gaan?
11. Op grond van artikel 13b eerste lid, aanhef en onder a van de Opiumwet
is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
13. De voorzieningenrechter overweegt dat uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat de politie op 26 augustus 2025 (onder meer) handelshoeveelheden amfetamine, MDMA, ketamine en cocaïne in de woning heeft aangetroffen. Verder zijn grote hoeveelheden medicijnen aangetroffen die werkzame stoffen bevatten die vermeld staan op lijst II behorende bij de Opiumwet. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester gelet hierop bevoegd was om tot sluiting van de woning over te gaan. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.
Mocht de burgemeester gebruikmaken van zijn bevoegdheid?
12. De burgemeester is niet verplicht om de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet te gebruiken. De burgemeester dient een belangenafweging te maken bij zijn beslissing of en op welke wijze hij van die bevoegdheid gebruik maakt. De burgemeester heeft daartoe het Damoclesbeleid district De Markiezaten/Moerdijk 2020 vastgesteld (de beleidsregels).
13. In de beleidsregels wordt voor woningen in beginsel uitgegaan van een sluitingsperiode van drie maanden bij een eerste overtreding en een handelshoeveelheid harddrugs. Op grond van de beleidsregels kan sprake zijn van verzwarende omstandigheden, waardoor een langere sluitingstermijn kan worden gehanteerd. De burgemeester stelt dat in dit geval sprake is van verzwarende omstandigheden in de zin van de beleidsregels.
De burgemeester acht de volgende verzwarende omstandigheden aanwezig:
  • een significante overschrijding van de gebruikershoeveelheid verdovende middelen;
  • de aannemelijkheid dat er meerdere panden betrokken zijn bij de handel in drugs;
  • een vermoeden van (internationale) drugshandel in georganiseerd verband;
  • de aanwezigheid van grote handelshoeveelheden niet voorgeschreven medicijnen.
Die omstandigheden maken dat de burgemeester zich op grond van de beleidsregels bevoegd acht om de woning te sluiten voor een periode van vier maanden.
14. Dat de sluiting in overeenstemming is met de beleidsregels betekent echter niet zonder meer dat de burgemeester in redelijkheid tot sluiting heeft kunnen overgaan. Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Op grond van vaste rechtspraak van de ABRvS moet de burgemeester alle omstandigheden van het geval betrekken in zijn beoordeling en bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden moet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb. [1]
15. Daarbij moet onder andere worden beoordeeld of sluiting van de woning evenredig is. De evenredigheidsbeoordeling bestaat uit een beoordeling van geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid van het besluit. [2]
Is sluiting een geschikt middel?
16. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de sluiting van de woning in het algemeen een geschikt middel is om de doelen te bereiken die de burgemeester voor ogen heeft, namelijk het beëindigen van de overtreding en de aantasting van het woon- en leefklimaat, het herstellen van het veiligheidsgevoel in de omgeving van de woning, het doorbreken van de bekendheid van de woning als drugspand en het onttrekken van de woning aan de keten van drugshandel. Met een sluiting wordt ook een signaal afgegeven aan buurtbewoners en criminelen dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester deze doelen in beginsel ook na een tijdsverloop van vier maanden nog zou kunnen bereiken.
17. Dit laat onverlet dat de woningsluiting een zeer ingrijpende maatregel is en dat niet tot sluiting mag worden overgegaan als dat gelet op de omstandigheden niet noodzakelijk en evenwichtig is. In dat geval zou de burgemeester in redelijkheid moeten afwijken van zijn beleid en met een minder ingrijpende maatregel, zoals een last onder dwangsom of een waarschuwing, moeten volstaan.
Is de sluiting noodzakelijk?
18. Bij beoordeling of sluiting van een woning noodzakelijk is, is de vraag aan de orde of de burgemeester, gegeven zijn bevoegdheid om bestuursdwang uit te oefenen, met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Een minder ingrijpend middel dan woningsluiting is het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing. [3]
19. Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. De burgemeester mag daarbij een onderscheid maken tussen hard- en softdrugs. Ook is relevant of de drugs feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Dat drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij of onderzoek van de politie over mogelijke handel vanuit de woning, verklaringen van buurtbewoners daarover of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit de woning zoals gripzakjes, ponypacks, een (grammen)weegschaal en grote hoeveelheden contant geld en/of wapens. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van de woning ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit. Verder kan sluiting van de woning noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot de woning wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Met de sluiting wordt de woning aan de keten van drugshandel onttrokken. [4]
20. De voorzieningenrechter overweegt dat op 26 augustus 2025 grote hoeveelheden harddrugs in de woning zijn aangetroffen en dat uit de bestuurlijke rapportage volgt dat de woning in verband wordt gebracht met een drugsketen die verdovende middelen en medicijnen verpakt en verstuurt met postpakketten. Tussen partijen is niet in geschil dat het [naam] was die de (postpakketten met) harddrugs, zonder medeweten van verzoekster, in huis heeft gehaald, zodat de overtreding aan hem kan worden toegeschreven. Vast staat dat [naam] per 6 november 2025 in de basisregistratie personen is uitgeschreven van het adres, dat hij zijn huurovereenkomst heeft opgezegd en is vertrokken uit de woning en dat hij ook niet meer welkom is in de woning. De voorzieningenrechter dient te beoordelen of in die huidige situatie sluiting van de woning nog noodzakelijk is (toetsing ex nunc) en de burgemeester dient dat in zijn beslissing op het bezwaar van verzoekster ook te doen.
21. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester de noodzaak om de woning te sluiten in de huidige situatie, waarin [naam] definitief uit de woning is vertrokken, onvoldoende heeft onderbouwd. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat geen sprake is van een klassiek drugspand, waarin drugs veelal feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld. Uit de bestuurlijke rapportage volgt dat de woning fungeerde als een soort opslaglocatie, waar de drugs in pakketten werden bewaard om later per post te versturen. Dat sprake is van bekendheid van de woning als drugspand of van een loop naar de woning die doorbroken moet worden, is niet gebleken. Uit de bestuurlijke rapportage volgt enkel dat de politie heeft waargenomen dat de woning op 23 juli 2025 is bezocht door een medeverdachte, die twee grote dozen en een zak bij [naam] kwam ophalen. Deze dozen zouden een dag later op verschillende postpakketpunten zijn ingeleverd en bleken, na te zijn onderschept, in totaal 40 kilogram MDMA te bevatten. Dat anderen dan deze medeverdachte wetenschap hadden van de opslaglocatie, is niet gebleken. Bovendien lijken deze ‘ophaalmomenten’ zich – gelet op de bevindingen (en de grote hoeveelheid drugs die in voorkomend geval werd opgehaald) – niet frequent te hebben voorgedaan. De burgemeester heeft verklaard dat deze medeverdachte ook is aangehouden. Hij is dus in beeld bij de politie. Er zijn geen aanwijzingen dat de woning sinds de inval op 26 augustus 2025 en de arrestatie van [naam] nog is bezocht door deze medeverdachte of andere aan drugscriminaliteit te relateren personen. Daarbij zijn geen meldingen bij de politie of verklaringen van buurtbewoners over (drugsgerelateerde) overlast bij de woning bekend. Er is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook onvoldoende gebleken dat de openbare orde in de omgeving van de woning door de activiteiten van [naam] is verstoord. Ook is niet gebleken dat de woning is gelegen in een voor (drugs)criminaliteit kwetsbare wijk en is van recidive geen sprake. Wat resteert is het door de burgemeester geschetste risico op criminaliteit als gevolg van de rol die de woning mogelijk heeft vervuld binnen een drugsketen. Hoe groot die rol precies is geweest, blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende uit het dossier en de voorzieningenrechter stelt vast dat dit risico zich in de afgelopen vier maanden in ieder geval niet heeft verwezenlijkt. Gelet op deze omstandigheden is de noodzaak om tot sluiting over te gaan ter bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving van de woning en het herstel van de openbare orde naar het oordeel van de voorzieningenrechter beperkt.
Is de sluiting evenwichtig?
22. De burgemeester dient zich ervan te vergewissen dat de sluiting evenwichtig is, ook als de duur in overeenstemming is met de duur die volgt uit een beleidsregel. Uit vaste rechtspraak van de ABRvS volgt dat bij de beoordeling van de evenwichtigheid verschillende omstandigheden van belang zijn, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met de woning, de mogelijkheid om weer in de woning terug te keren, of de overtreder door sluiting van de woning op een zwarte lijst komt te staan bij een woningbouwcorporatie als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio en of er minderjarige kinderen in de woning wonen. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk vindt. [5]
bijzondere binding met de woning
23. Verzoekster heeft gesteld dat zij een bijzondere binding met de woning heeft, nu zij de woning al langere tijd bewoont en de woning voor haar een veilige haven is, waar zij onverwerkte trauma’s uit het verleden kan verwerken.
24. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de door verzoekster genoemde omstandigheden niet blijkt van een bijzondere binding met de woning. De psychische en mentale klachten waar verzoekster mee stelt te kampen, zijn niet met objectieve en verifieerbare (medische) stukken onderbouwd. Dat verzoekster gehecht is aan de woning, is niet voldoende. [6] Niet gebleken is dat zij gebonden is aan juist deze woning gelet op haar psychische en/of mentale problemen of dat haar klachten zouden verergeren als zij (tijdelijk) in een andere woning zou moeten verblijven. [7]
verwijtbaarheid
25. Op grond van vaste rechtspraak van de ABRvS geldt dat het ontbreken van iedere betrokkenheid bij een overtreding afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden met zich brengen kan dat de burgemeester niet van zijn bevoegdheid gebruik heeft mogen maken. Zo kan bijvoorbeeld de betrokkene geen verwijt van de overtreding worden gemaakt, als hij/zij niet op de hoogte was en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in zijn/haar woning. Wel wordt van de (hoofd)bewoner verlangd dat hij/zij toezicht uitoefent op wat er in de woning gebeurt. Daarbij past de kanttekening dat er wel grenzen zijn aan het toezicht dat redelijkerwijs mag worden verwacht van de ene bewoner op de andere, mede afhankelijk van de woonsituatie. De burgemeester zal, indien hij van zijn bevoegdheid tot sluiting van een woning gebruik maakt, deugdelijk moeten motiveren welk verwijt de (hoofd)bewoner die door de sluiting wordt getroffen, wordt gemaakt. [8]
26. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoekster voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de aangetroffen harddrugs en medicijnen in de woning en dat zij hier op geen enkele wijze bij betrokken was. Haar kan geen strafrechtelijk verwijt worden gemaakt. De burgemeester heeft dat ook erkend.
27. Dat verzoekster redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen harddrugs en medicijnen in haar woning, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd door de burgemeester. Verzoekster heeft verklaard dat zij de woning deelde met [naam] , haar ex-partner, die zij al twintig jaar kent. Vast staat dat hij geen drugsgerelateerde antecedenten heeft. Verzoekster heeft – onweersproken – verklaard dat zij overdag veel weg was in verband met haar werk. ’s Avonds kwam zij alleen kort in de keuken om een (kleine) maaltijd te bereiden en verder verbleef zij altijd boven op haar (slaap)kamer. De benedenverdieping werd hoofzakelijk door [naam] gebruikt. De voorzieningenrechter overweegt dat uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat de drugs zodanig waren verpakt dat het niet zou opvallen als ze per post werden verstuurd. Uit de foto achter de bestuurlijke rapportage volgt dat de zevenendertig in de woning aangetroffen pakketten in één shopper zaten. Dat verzoekster die pakketten niet heeft gezien, acht de voorzieningenrechter gelet op de wijze waarop zij met [naam] samenwoonde niet onaannemelijk. Hoewel sprake is van zeer grote hoeveelheden harddrugs, is dus niet gebleken dat ze op zodanige wijze in de woning aanwezig waren dat verzoekster hierop bedacht had moeten zijn. Daarbij zijn ook geen attributen of andere sporen die te relateren zijn aan drugshandel in de woning aangetroffen. Verzoekster heeft bovendien verklaard dat zij evenmin weet had van de harddrugs (amfetamine) die zijn aangetroffen in de vriezer in de bijkeuken van de woning, omdat zij die vriezer niet gebruikte en nooit in de bijkeuken kwam. Die verklaring acht de voorzieningenrechter in het licht van het voorgaande plausibel. Gelet op al deze omstandigheden heeft de burgemeester naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd dat verzoekster een verwijt kan worden gemaakt. Onduidelijk is wat verzoekster volgens de burgemeester had kunnen en moeten doen om toezicht te houden op het gebruik van de woning door [naam] . De burgemeester lijkt verzoekster feitelijk te verwijten dat zij [naam] heeft vertrouwd. Dat is achteraf gezien inderdaad ten onrechte geweest. Dat verzoekster wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat zij [naam] niet kon vertrouwen, is echter niet gebleken. Hoewel hetgeen in haar woning gebeurt in beginsel de verantwoordelijkheid is van verzoekster, is de voorzieningenrechter gelet op voormelde omstandigheden van oordeel dat sprake is van sterk verminderde verwijtbaarheid aan de zijde van verzoekster.
gevolgen van de sluiting
28. Op grond van vaste rechtspraak van de ABRvS is inherent aan de sluiting van een woning dat de bewoner de woning moet verlaten. Dat is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. In dit geval heeft de verhuurder reeds aangekondigd dat bij sluiting van de woning zal worden overgegaan tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst van verzoekster. Hoewel verzoekster volgens de burgemeester niet op een ‘zwarte lijst’ terecht zal komen, zullen de gevolgen van de sluiting van de woning voor haar dus groot zijn. Anders dan de burgemeester kennelijk meent, dient hij daar in zijn belangenafweging wel rekening mee te houden. Het besluit tot sluiting van de woning is namelijk een zelfstandige grondslag tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst, gelet op het bepaalde in artikel 7:231, tweede lid, van de Burgerlijk Wetboek. Dat betekent dat verzoekster de woning zonder tussenkomst van een kantonrechter kan kwijtraken. [9]

Conclusie en gevolgen

29. Gelet op de verminderde verwijtbaarheid aan de zijde van verzoekster, tezamen bezien met de beperkte noodzaak om tot sluiting over te gaan en de mogelijk grote gevolgen voor de huurovereenkomst van verzoekster, acht de voorzieningenrechter de sluiting van de woning niet evenredig aan de met die sluiting te dienen doelen. De voorzieningenrechter concludeert dan ook dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik heeft kunnen maken.
30. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus toe, met dien verstande dat het bestreden besluit wordt geschorst tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar in plaats van zes weken.
31. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient de burgemeester aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.
32. De voorzieningenrechter veroordeelt de burgemeester in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,‑ en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter
- schorst het bestreden besluit tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 194,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
€ 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier, op 23 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage – wettelijk kader

Opiumwet
Op grond van artikel 2 van de Opiumwet is het verboden om een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:
binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;
te delen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
aanwezig te hebben;
te vervaardigen.
Op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
Amfetamine staat op lijst I.
Damoclesbeleid district De Markiezaten/Moerdijk 2020

Woningen en bijbehorende erven

Harddrugs

Indien zich een situatie voordoet zoals bedoeld in artikel 13b lid 1 onder a dan wel artikel 13b lid 1 onder b Opiumwet, treft de burgemeester de volgende maatregelen:
1e overtreding
Handelshoeveelheid
Sluiting voor 3 maanden
(…)
Bijzondere omstandigheden
Bij een overtreding van artikel 13b Opiumwet kan sprake zijn van verzwarende dan wel verlichtende omstandigheden waardoor een langere/kortere sluitingstermijn wordt gehanteerd. (…)
De belangrijkste feiten en omstandigheden die aangemerkt kunnen worden als verzwarende omstandigheden zoals hiervoor bedoeld, zijn (niet-limitatief):
Er is sprake van een significante overschrijding van de handelshoeveelheid van verdovende middelen;
Indicatoren van enige professionaliteit of attributen die wijzen op beroeps- of bedrijfsmatige teelt;
Er is sprake van geweldsdelicten of andere openbare orde delicten;
Er is sprake van verboden wapenbezit (als bedoeld in de Wet wapens en munitie);
Er zijn (grote) som(men) contant geld aanwezig;
Mate van gevaarzetting en risico’s voor de bewoners, omwonende en/of de omgeving (denk aan een verhoogd brandrisico door overbelasting van het energienetwerk en illegale elektriciteitsaansluitingen of overtreding van de bouwregelgeving);
Ernstige overlast voor omwonende en/of de omgeving;
Aannemelijkheid dat er meerdere panden betrokken zijn bij de handel in drugs;
Er is een vermoeden van drugshandel in georganiseerd verband.

Voetnoten

1.ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 (r.o. 7.11 en 8.1).
2.ABRVS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922 (r.o. 8.4).
3.ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922 (r.o. 10).
4.ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922 (r.o. 10.2).
5.ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922 (r.o. 11-11.2) en ABRvS 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3950 (r.o. 5.7).
6.ABRvS 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:377 (r.o. 4.3.2).
7.Vgl. ABRvS 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:472 (r.o. 6.2.4).
8.ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 (r.o. 10.2) en ABRvS 18 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3848 (r.o. 6.2).
9.ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2924 (r.o. 10).