In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 10 maart 2025. In die uitspraak staat dat verweerder binnen tien weken moet beslissen op de aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser stelt nu beroep in omdat verweerder dat volgens hem niet heeft gedaan. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en doet uitspraak zonder zitting, zoals mogelijk gemaakt door artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank stelt vast dat verweerder niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn een besluit heeft genomen op de aanvraag van eiser. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit alsnog doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. De rechtbank heeft eerder in een andere zaak bepaald dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn van 60 weken wordt opgelegd na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van maximaal 52 weken.
De rechtbank concludeert dat de wettelijke beslistermijn op 29 december 2024 is verstreken en dat verweerder uiterlijk op 23 februari 2026 een besluit moet nemen. Tevens wordt verweerder een dwangsom van € 100,- opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Eiser krijgt ook een vergoeding voor het griffierecht en proceskosten, die door verweerder moeten worden betaald. De uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande op 23 december 2025.