Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:1391

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
11944627 \ AZ VERZ 25-85
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Tilman-Knoester
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kwalificatie van logopediewerkzaamheden als overeenkomst van opdracht en vergoeding opzegtermijn

Verzoekster verrichtte logopediewerkzaamheden voor verweerster op basis van een schriftelijke overeenkomst van opdracht. Partijen waren het oneens over de kwalificatie van de overeenkomst: verzoekster stelde dat sprake was van een arbeidsovereenkomst, verweerster hield vast aan een overeenkomst van opdracht.

De kantonrechter heeft de aard van de overeenkomst beoordeeld aan de hand van de criteria uit de jurisprudentie, waaronder de gezagsverhouding, de mate van zelfstandigheid, de wijze van beloning en de inbedding in de organisatie. Uit de feiten bleek dat verzoekster zelfstandig en vrij haar werkzaamheden uitvoerde, eigen materiaal gebruikte, zelf haar werktijden bepaalde en geen gezagsverhouding bestond.

De kantonrechter concludeerde dat er geen arbeidsovereenkomst was, maar een overeenkomst van opdracht. De overeenkomst was verlengd tot 1 juli 2025 en niet voor onbepaalde tijd. Verweerster had de overeenkomst opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden, waarover verzoekster recht heeft op vergoeding. De vergoeding werd vastgesteld op € 2.264,52 bruto plus wettelijke rente. Verweerster werd tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: De kantonrechter kwalificeert de overeenkomst als overeenkomst van opdracht en veroordeelt verweerster tot betaling van een vergoeding over de opzegtermijn van € 2.264,52 plus wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer / rekestnummer: 11944627 \ AZ VERZ 25-85
Beschikking van 13 februari 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. M. Stegeman,
tegen
[verweerster] , h.o.d.n. [handelsnaam 1] ,
gevestigd te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerster] ,
gemachtigde: mr. J.A. Veldkamp.

1.De zaak in het kort

[verzoekster] heeft voor [verweerster] logopediewerkzaamheden verricht. Partijen verschillen van mening over de vraag of deze werkzaamheden op grond van een arbeidsovereenkomst of op grond van een overeenkomst van opdracht zijn verricht. De kantonrechter kwalificeert de overeenkomst tussen partijen als een overeenkomst van opdracht. [verzoekster] heeft recht op een vergoeding over de opzegtermijn. Hierna zal worden uitgelegd waarom.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 15;
- het verweerschrift met producties 1 tot en met 30;
- de namens [verzoekster] ingediende aanvullende producties 16 tot en met 21;
- de mondelinge behandeling van 9 januari 2026 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de door [verzoekster] voorgedragen spreekaantekeningen.
2.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1.
[verweerster] drijft een dyslexie- en logopediepraktijk op twee locaties, namelijk in [plaats 3] en [plaats 2] .
3.2.
Per 1 april 2024 is [verzoekster] , geboren op [datum] 1985, na ontvangst van een overeenkomst van opdracht als logopedist gaan werken bij [verweerster] . Er is een uurloon van € 18,00 per behandeling van 30 minuten (inclusief overdracht en administratieve afhandeling) overeengekomen.
3.3.
[verzoekster] heeft zich per 1 juli 2024 in het handelsregister ingeschreven met de naam “ [handelsnaam 2] ”.
3.4.
[verzoekster] heeft voor de verrichte behandelingen facturen gestuurd aan [verweerster] .
3.5.
In de periode van februari 2025 tot medio juni 2025 heeft [verzoekster] behandelingen van een collega zzp’er overgenomen wegens diens zwangerschaps- en bevallingsverlof. Die behandelingen heeft [verzoekster] (ook) aan [verweerster] gefactureerd.
3.6.
Eind 2024 heeft [verweerster] aan [verzoekster] medegedeeld dat er naar een loondienst constructie dient te worden overgegaan omdat de zzp-constructie vanwege veranderende fiscale regelgeving niet langer mogelijk is.
3.7.
Bij Whatsapp bericht van 31 juli 2025 laat [verweerster] aan [verzoekster] weten:
“Het contract is maandje uitgesteld. komt per 1-9. Tot dan gewoon in oude regeling door. Iedereen was met vakantie en komt niet op een maand hè”[verzoekster] reageert daarop met:
“Oke is goed (…)”
3.8.
Op 11 augustus 2025 heeft [verweerster] een concept arbeidsovereenkomst aan [verzoekster] gestuurd. Partijen hebben vervolgens contact over de voorwaarden genoemd in de concept arbeidsovereenkomst en aanpassing van bepalingen. Zij bereiken daarover geen overeenstemming.
3.9.
Op 21 augustus 2025 heeft [verweerster] aan [verzoekster] medegedeeld dat zij niet tot elkaar komen en zij geen andere optie heeft dan de samenwerking te beëindigen per 1 september 2005 omdat de zzp-constructie geen optie meer kan zijn door nieuwe wettelijke richtlijnen.

4.Het verzoek en het verweer

4.1.
[verzoekster] verzoekt na de ter zitting genoemde switch (inhoudende berusting in het gegeven ontslag) de kantonrechter dat:
i.
indien geoordeeld wordt dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst, dat [verweerster] wordt veroordeeld tot betaling van:
a. de billijke vergoeding van € 19.581,43;
b. de vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 3.916,29 netto;
c. de transitievergoeding van € 763,29;
indien geoordeeld wordt dat er sprake is van een overeenkomst van opdracht,
dat [verweerster] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 7.832,56;
in alle gevallen,
a. [verweerster] wordt veroordeeld tot betaling van de rente over de verschuldigde bedragen vanaf de data van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling;
b. [verweerster] wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van de procedure, de nakosten en wettelijke rente.
4.2.
[verzoekster] legt aan haar verzoeken het volgende ten grondslag.
Primair is er sprake van een arbeidsovereenkomst die niet van rechtswege is geëindigd. De arbeidsovereenkomst is na verlengingen voor onbepaalde tijd gesloten danwel is per 1 juli 2025 verlengd voor één jaar. De opzegging van [verweerster] van 21 augustus 2025 voldoet daarom niet aan de vereisten waardoor [verzoekster] recht heeft op een transitievergoeding, een billijke vergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Indien geoordeeld wordt dat er een overeenkomst van opdracht is, dan geldt subsidiair dat de overeenkomst per 1 juli 2025 is verlengd met één jaar en niet op 1 september 2025 van rechtswege is geëindigd. [verweerster] had een redelijke opzegtermijn van vier maanden in acht moeten nemen en is over die periode de door [verzoekster] gemiste inkomsten verschuldigd.
4.3.
[verweerster] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [verweerster] voert het volgende aan. Er is geen sprake van een arbeidsovereenkomst omdat [verzoekster] zich niet heeft verbonden om in dienst van [verweerster] , tegen loon gedurende zekere tijd persoonlijke arbeid te verrichten. Indien geoordeeld wordt dat wel sprake is van een arbeidsovereenkomst geldt dat de gestelde hoogte van het loon onjuist is waardoor de verzochte vergoedingen onjuist zijn berekend. Daarnaast is er geen billijke vergoeding verschuldigd omdat [verweerster] niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en er is een groot tekort aan logopedisten. Indien geoordeeld wordt dat er sprake is van een overeenkomst van opdracht geldt primair dat overeengekomen is dat de overeenkomst is verlengd tot 1 september 2025 en subsidiair geldt dat er geen grondslag is om uit te gaan van een opzegtermijn van vier maanden.

5.De beoordeling

5.1.
Voor de beoordeling van de verzoeken van [verzoekster] is allereerst van belang om vast te stellen op welke basis [verzoekster] werkzaamheden heeft verricht voor [verweerster] . Was dit op basis van een arbeidsovereenkomst, zoals [verzoekster] stelt, of op basis van een overeenkomst van opdracht, zoals [verweerster] stelt?
Toetsingskader kwalificatie overeenkomst
5.2.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 6 november 2020 (te vinden onder: ECLI:NL:HR:2020:1746) bepaald dat een overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst als de inhoud van die overeenkomst voldoet aan de in artikel 7:610 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) opgenomen omschrijving. In artikel 7:610 BW Pro is de arbeidsovereenkomst gedefinieerd als een overeenkomst waarbij de ene partij (de werknemer) zich verbindt om in dienst van de andere partij (de werkgever) tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.
5.3.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 maart 2023 (ECLI:NL:HR:2023:443) nogmaals de criteria voor de kwalificatievraag uiteengezet. Uit dit arrest volgt dat voor de kwalificatie van de rechtsverhouding tussen partijen eerst moet worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Dat moet gebeuren aan de hand van de Haviltex-maatstaf. In deze
uitlegfaseis ruimte voor de partijbedoelingen en kan de maatschappelijke positie van partijen een rol spelen. Daarna, in de
kwalificatiefase, moet worden beoordeeld of de overeenkomst de kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst. Daarbij is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Als de tussen partijen overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt.
Uitlegfase: vaststelling overeengekomen rechten en verplichtingen
5.4.
Vast staat dat partijen de tussen hen gemaakte afspraken hebben vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst van opdracht op grond waarvan [verzoekster] op zzp-basis logopediewerkzaamheden zou uitvoeren. Feitelijk is [verzoekster] die werkzaamheden gaan uitvoeren vanaf 1 april 2024 en zij heeft de werkzaamheden uitgevoerd op maandag, dinsdag en woensdagochtend.
5.5.
Voor aanvang van de werkzaamheden per 1 april 2024 hebben partijen overleg gehad over de beloning. Aanvankelijk is door [verweerster] een uurloon voorgesteld van € 17,50 per behandeling, maar dat is na overleg € 18,00 per behandeling geworden. [verzoekster] kreeg tijdens vakanties en ziekte niet doorbetaald van [verweerster] . [verzoekster] stuurde namens haar bedrijf facturen aan [verweerster] voor de behandelingen; [verweerster] heeft in het begin daarvoor aan [verzoekster] een voorbeeldfactuur aangereikt.
5.6.
[verzoekster] heeft de logopediewerkzaamheden zelfstandig en naar eigen inzicht uitgevoerd op de locatie van [verweerster] te [plaats 3] en één dag in de week op school. Incidenteel is het voorgekomen dat [verzoekster] patiënten bij haar thuis behandelde. Daarvoor had [verzoekster] geen toestemming nodig van [verweerster] . [verzoekster] kon op de praktijk twee patiënten per uur behandelen en op school drie patiënten per uur omdat zij de overdracht en administratieverwerking op school op een later moment deed. Voor de behandelingen was [verzoekster] wel afhankelijk van het aantal patiënten dat zij van [verweerster] aangedragen kreeg. Van de door [verzoekster] overgenomen patiënten van een andere zzp’er die bij [verweerster] werkte tijdens diens zwangerschapsverlof heeft [verweerster] bepaald dat die wegens eerdere terugkomst van die andere zzp’er niet meer hoefden te worden uitgevoerd.
5.7.
Tijdens de zitting heeft [verweerster] gesteld dat zij bij het sollicitatiegesprek aan [verzoekster] de keuze heeft gegeven te werken als werknemer of als zzp’er waarbij zij [verzoekster] gewezen heeft op het meer gebonden zijn aan verplichtingen als werknemer. Daarvan heeft [verzoekster] gezegd niet meer te weten of dat zo is voorgelegd aan haar, maar vast staat dat [verzoekster] met betrekking tot de vervolgens uitgevoerde werkzaamheden feitelijk veel vrijheden had. [verweerster] vroeg, naar aanleiding van de patiënten die bij haar binnen kwamen, namelijk steeds (per Whatsapp) aan [verzoekster] en/of de andere zzp-collega of die de betreffende patiënt kon behandelen. Dit omdat de praktijkruimte in [plaats 3] bestond uit maar één kamer en de zzp-collega daar op de andere dagen dan [verzoekster] zat. [verweerster] maakte daarom een planning voor beschikbaarheid van de locatie [plaats 3] . [verzoekster] mocht ook zelf bepalen of zij de door [verweerster] aangedragen patiënten wilde behandelen en die patiënten plande [verzoekster] in of [verweerster] nadat [verzoekster] had aangegeven welk tijdstip haar uitkwam, zoals blijkt uit de Whatsappcorrespondentie in de producties 17 en 18 verzoekschrift. [verzoekster] kon op de dagen dat zij de behandelkamer had, maandag, dinsdag en woensdagochtend, zelf de momenten dat zij patiënten plande bepalen en ook zelf haar werktijden bepalen. [verzoekster] mocht afspraken zelf afzeggen of verplaatsen als zij een vrije dag wilde voor bijvoorbeeld een studiedag van haar kinderen of een hockeywedstrijd van haar kinderen en/of als haar kinderen ziek waren. [verzoekster] hoefde daarvoor geen verantwoording af te leggen aan [verweerster] , zoals ook blijkt uit Whatsapp correspondentie van 20 mei 2025 (productie 27 verweerschrift). [verzoekster] kon zonder toestemming en/of inlichten van [verweerster] behandelingen afzeggen en/of verplaatsen.
5.8.
[verzoekster] maakte voor de behandelingen gebruik van materiaal van [verweerster] . [verweerster] heeft onweersproken gesteld dat [verzoekster] ook eigen materiaal mocht gebruiken. Er waren geen richtlijnen van [verweerster] waaraan [verzoekster] zich bij de behandeling moest houden. Zij stemde haar behandelingen niet af met [verweerster] en/of haar collega zzp-er. [verzoekster] maakte daarnaast gebruik van het systeem ‘James’ van [verweerster] , dat een Elektronisch Patiënten Dossier (EPD) systeem is. Het registreren van behandelingen in het EPD is een verplichting van [verzoekster] op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (WKKGZ). Ook maakte [verzoekster] gebruik van een e-mailadres gekoppeld aan de praktijk van [verzoekster] . [verzoekster] betaalde aan [verweerster] geen huur of kosten voor materiaal, telefoon of internet.
5.9.
In de getekende overeenkomst van opdracht is vermeld dat [verzoekster] zich bij de werkzaamheden mocht laten vervangen, maar in de praktijk is het niet voorgekomen dat zij hiervan gebruik maakte. Het was [verzoekster] toegestaan om nog andere opdrachtgevers te hebben, maar de afgelopen twee jaar heeft [verzoekster] die niet gehad.
Kwalificatiefase
5.10.
Of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. De Hoge Raad heeft hiervoor in het eerdergenoemde arrest van 24 maart 2023 een aantal gezichtspunten gegeven. De kantonrechter zal deze gezichtspunten hieronder puntsgewijs betrekken bij de kwalificatie en de omstandigheden vervolgens in onderling verband afwegen.
5.11.
De volgende gezichtspunten kunnen van belang zijn: de aard en duur van de werkzaamheden, de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen, de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd, de hoogte van deze beloningen en de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt.
5.12.
Uit de eerder vastgestelde rechten en verplichtingen blijkt naar het oordeel van de kantonrechter dat vast is komen te staan dat sprake is van het door [verzoekster] uitvoeren van werkzaamheden tegen loon. Maar een gezagsverhouding ontbreekt op grond van hetgeen hierna wordt overwogen.
5.13.
[verzoekster] was werkinhoudelijk volledig vrij in de wijze waarop zij de werkzaamheden uitvoerde. [verzoekster] mocht zelf weten hoe zij de behandeling uitvoerde en mocht gebruik maken van eigen materiaal. [verzoekster] maakte zelf de keuze materiaal dat op de locatie lag te gebruiken. Zij had voor de behandelingen geen richtlijnen en stemde niet af met [verweerster] en/of haar zzp-collega. [verzoekster] had ook voor wat betreft de organisatorische wijze van uitvoering van het werk veel vrijheden. [verzoekster] plande patiënten in of [verweerster] deed dat nadat zij bij [verzoekster] had nagevraagd of [verzoekster] daarvoor plek had. [verzoekster] kon dus zelf bepalen of zij een patiënt ging behandelen en wanneer. Daardoor had zij een vrijheid in het bepalen van de hoeveelheid werk en haar werktijd. Ook hoefde zij voor het verplaatsen van afspraken, vanwege bijvoorbeeld privéomstandigheden, geen overleg te hebben met en/of toestemming te vragen aan [verweerster] . [verzoekster] heeft ter zitting wel gewezen op het als werknemer recht hebben op kortdurend zorgverlof, maar daarvoor geldt dat dat op zijn minst gemeld moet worden aan de werkgever en dat (ook) dan nog toestemming moet worden gegeven door de werkgever. Dit melden en die toestemming hoefde [verzoekster] hier niet te hebben van [verweerster] .
5.14.
Het werk dat [verzoekster] verrichte, past binnen de organisatie van [verweerster] . [verweerster] richt zich namelijk op logopediewerkzaamheden. In die zin zijn de werkzaamheden van [verzoekster] ingebed in de organisatie van [verweerster] . Anderzijds kan niet geconcludeerd worden dat [verzoekster] was ingebed in de organisatie en bedrijfsvoering van [verweerster] waardoor het inbeddingsaspect niet wijst op een gezagsverhouding. Dit op grond van het volgende:
  • [verweerster] heeft met [verzoekster] geen evaluatie- of functioneringsgesprekken gevoerd. Over behandelingen van [verzoekster] zijn door een aantal patiënten wel klachten ingediend bij [verweerster] en die patiënten wilden niet meer behandeld worden door [verweerster] . Die conflicten heeft [verweerster] opgelost met de ouders door die patiënten niet meer bij [verzoekster] in te plannen. Niet gesteld of gebleken is dat [verweerster] [verzoekster] daarvoor ter verantwoording heeft geroepen. Verder is niet gesteld of gebleken dat [verzoekster] verplicht was deel te nemen aan bedrijfstrainingen.
  • [verzoekster] diende het verloop van de behandeling te registreren in het systeem van [verweerster] . Dit omdat [verweerster] een contract had met de zorgverzekeraar die [verweerster] betaalt voor elke uitgevoerde behandeling. Gebruik van het e-mailadres van het kantoor van [verweerster] ligt gezien dat contract van [verweerster] met de zorgverzekeraar ook voor de hand. Het feit dat [verzoekster] eerder een kerstpakket heeft ontvangen is verder een onvoldoende aanwijzing van inbedding van [verzoekster] in de organisatie. Te meer omdat [verweerster] onweersproken heeft gesteld dat zij iedereen in haar omgeving een kerstpakket had gegeven.
5.15.
Het commercieel risico lag bij [verzoekster] omdat zij afhankelijk was van de gewerkte uren en tijdens schoolperiodes waren er minder behandelingen. Met betrekking tot het ondernemerschap geldt dat daarvoor geen beperking gold voor [verzoekster] . [verzoekster] stond ingeschreven in het handelsregister als zelfstandig ondernemer en factureerde namens haar onderneming, zodat zij zich ook naar buiten toe als ondernemer presenteerde. Dat [verzoekster] geen andere opdrachtgever heeft aangenomen, is een keuze van [verzoekster] en neemt niet weg dat zij zich als ondernemer kon gedragen.
5.16.
De voornoemde omstandigheden samen brengen de kantonrechter tot de conclusie dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Partijen hebben een overeenkomst van opdracht gesloten.
Loon
5.17.
[verzoekster] verzoekt om toekenning van een vergoeding omdat er geen redelijke opzegtermijn in acht is genomen. [verzoekster] stelt dat sprake is van een overeenkomst voor onbepaalde tijd en een opzegtermijn van vier maanden redelijk is.
5.18.
[verweerster] betwist dat er een overeenkomst voor onbepaalde tijd is. Zij beroept zich erop dat de overeenkomst van opdracht per Whatsapp is verlengd tot 1 september 2025 en er dus een overeenkomst voor bepaalde tijd is die van rechtswege is geëindigd.
5.19.
De kantonrechter is van oordeel dat uit het Whatsapp contact van 31 juli 2025 waarin [verweerster] zegt “
Contract is maandje uitgesteld, komt per 1-9 (…)”en [verzoekster] reageert “
Oke is goed”niet kan worden afgeleid dat [verzoekster] akkoord was met een overeenkomst van opdracht tot 1 september 2025. [verzoekster] ging ervan uit dat zij vanaf 1 september 2025 bij [verweerster] in loondienst zou werken. De kantonrechter volgt [verzoekster] verder niet in de stelling dat er sprake is van een overeenkomst van opdracht voor onbepaalde tijd omdat de overeenkomst wordt geacht per 1 juli 2025 onder dezelfde voorwaarden te zijn voortgezet. Dat betekent dat de overeenkomst per 1 juli 2025 voor eenzelfde duur van een jaar is voortgezet.
5.20.
Op grond van artikel 7 van Pro de overeenkomst van opdracht geldt een opzegtermijn van twee maanden. De kantonrechter is van oordeel dat het belang van [verzoekster] bij de opzegtermijn is dat zij gedurende de opzegtermijn nog inkomsten kan genereren. [verweerster] heeft de verschuldigdheid van loon over de opzegtermijn ook niet, althans onvoldoende, betwist. Omdat [verweerster] de overeenkomst bij brief van 21 augustus 2024 heeft opgezegd, betekent dit dat de overeenkomst van opdracht per 22 oktober 2025 is beëindigd.
5.21.
[verzoekster] heeft recht op loon over de periode vanaf 1 september 2025 tot 22 oktober 2025. Voor de vraag van welk loon moet worden uitgegaan, geldt dat [verzoekster] ook in de periode van april 2024 tot en met juni 2024 gewerkt heeft voor [verweerster] en die periode moet ook worden meegenomen voor de bepaling van de hoogte van het loon. Daarnaast heeft [verweerster] zich er naar het oordeel van de kantonrechter terecht op beroepen dat de periode van februari 2025 tot en met juni 2025 niet representatief is omdat [verzoekster] in die periode voor een zwangere collega waarnam en toen tijdelijk extra heeft gewerkt. Gelet daarop zal de kantonrechter de periode van februari 2025 tot en met juni 2025 niet meenemen. Dat komt erop neer dat het totaal door [verzoekster] gefactureerde bedrag van € 16.200,00 gedeeld wordt door 12 maanden (in plaats van 17 maanden) en dat komt neer op een all-in maandloon van € 1.350,00 bruto. Voor wat betreft de periode van 1 oktober 2025 tot 22 oktober 2025 wordt het loon vastgesteld op € 914,52 (€ 1.350,00/31 x 21). Dit betekent dat over de periode van 1 september 2025 tot 22 oktober 2025 dan een totaalbedrag van € 2.264,52 (€ 1.350,00 + € 914,52) bruto toewijsbaar is. Dit bedrag zal worden toegewezen.
5.22.
[verzoekster] vordert de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid. Omdat een overeenkomst van opdracht een handelsovereenkomst is, heeft [verzoekster] recht op de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW. Deze rente zal worden toegewezen vanaf datum beschikking omdat [verzoekster] geen facturen heeft gestuurd over die periode en ook geen prestatie heeft verricht.
Proceskosten
5.23.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerster] , omdat [verweerster] in het ongelijk is gesteld. De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op totaal € 1.266,00 waarvan € 257,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
5.24.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoekster] te betalen een bedrag van € 2.264,52 bruto vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW vanaf 13 februari 2026 tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van € 1.266,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [verweerster] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [1] ,
6.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.

Voetnoten

1.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.