ECLI:NL:RBZWB:2026:1460

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
24/1400
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.20 WaboArt. 3 Wet BibobArt. 3:9 AwbArt. 7:1 AwbArt. 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning op grond van negatief Bibob-advies bevestigd

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de weigering van een omgevingsvergunning voor milieu- en bouwactiviteiten, gebaseerd op een negatief Bibob-advies. De aanvraag betrof een gewijzigde bedrijfssituatie aan een adres in de gemeente Halderberge. Het college had de vergunning geweigerd omdat er een ernstig gevaar bestond dat de vergunning zou worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht is uitgegaan van een zakelijk samenwerkingsverband tussen eiseres en een persoon die strafbare feiten heeft gepleegd, ondanks wijzigingen in de bedrijfsstructuur. Ook het vermoeden van valsheid in geschrifte bij het invullen van het Bibob-vragenformulier rechtvaardigt de weigering. Het Bibob-advies is zorgvuldig opgesteld en het college mocht hierop vertrouwen.

De rechtbank wijst het beroep af omdat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd dat het besluit onevenredig is of dat een minder ingrijpend besluit mogelijk was. De toepassing van de Wet Bibob leidt in dit geval terecht tot weigering van de vergunning. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de weigering van de omgevingsvergunning op grond van een negatief Bibob-advies en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/1400

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V. uit [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge

(gemachtigde: mr. N. Niederer).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [stichting] uit [plaats 2] ( [stichting] ).
(gemachtigde: mr. D. Delibes)

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van [BV 1] De omgevingsvergunning voor de activiteiten milieu en bouwen voor de inrichting aan [adres] is geweigerd op basis van de Wet Bibob. Eiseres is de rechtsopvolger van [BV 1] Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de vergunning mocht weigeren, omdat er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning zal worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor het legaliseren van een gewijzigde bedrijfssituatie bij een inrichting aan [adres] . Het college heeft deze aanvraag met een conceptbesluit vanaf 9 maart 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegd. [1] Met het bestreden besluit van 19 december 2023 heeft het college de aanvraag definitief geweigerd. Omdat het besluit is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), staat tegen dit besluit rechtstreeks beroep open. [2]
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. [stichting] heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
Op 28 november 2024 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank besloten beperking van de kennisneming toe te staan voor het (aanvullend) Bibob-advies en de besluiten waaruit strafrechtelijke gegevens blijken. Op 11 september 2025 is besloten ook beperking van de kennisneming toe te staan van het niet-geanonimiseerde verweerschrift. Eiseres en [stichting] hebben toestemming gegeven om deze documenten bij de oordeelsvorming te betrekken.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en [persoon 1] namens eiseres en de gemachtigde van het college samen met [inspecteur] (inspecteur). Voor [stichting] waren [persoon 2] en de gemachtigde van [stichting] aanwezig. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres het beroep ingetrokken voor zover het was ingediend namens [persoon 1] en [BV 2]

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 18 december 2019 heeft [BV 1] , de rechtsvoorganger van eiseres, een omgevingsvergunning voor de activiteiten milieu en bouwen aangevraagd wegens een gewijzigde bedrijfssituatie. Het gaat om het aanpassen van stalsystemen en dierenaantallen.
3.1.
Het college heeft in het kader van de vergunningverlening een advies aangevraagd bij het landelijk bureau Bibob. Op 19 mei 2021 ontvangt hij een advies, dat op 31 augustus 2021 wordt aangevuld.
3.2.
Op 1 maart 2023 stelt het college een ontwerpbesluit vast, waarin hij het voornemen bekendmaakt om de vergunning te weigeren op basis van de Wet Bibob. Verschillende partijen, waaronder eiseres, dienen een zienswijze in.
3.3.
Gedurende dit traject vinden er bij de betreffende inrichting controles plaats en worden lasten onder dwangsom opgelegd, omdat de inrichting niet voldoet aan de geldende vergunning.
3.4.
Op 19 december 2023 weigert het college de gevraagde vergunning.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning in deze zaak is ingediend vóór 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
4.1.
Op grond van artikel 2.20 van de Wabo kan het bevoegd gezag de vergunning weigeren in het geval en onder de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 3 van Pro de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Het college heeft op basis van deze bepaling de vergunning geweigerd. De rechtbank zal toetsen of het college dat op goede gronden heeft gedaan.
4.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Inhoudelijke beoordeling
Mag het college uitgaan van directe betrokkenheid van [persoon 3] ?
5. Eiseres wijst erop dat het college voorbij gaat aan het feit dat [persoon 3] geen bestuurder meer is van de inrichting waar het hier om gaat. [persoon 3] geeft niet meer direct leiding en bemoeit zich niet met de exploitatie van de varkenshouderij in de meest brede zin van het woord. Hij heeft enkel nog een rol via [BV 2] Er is bewust een wijziging in de structuur gecreëerd om hem op afstand te zetten.
5.1.
Het college benadrukt dat de gevaarbeoordeling niet alleen is gebaseerd op het handelen van [persoon 3] , maar ook op het handelen van [persoon 1] en [BV 2] [persoon 3] heeft door middel van [BV 2] de eigendom van alle gebouwen en heeft in die zin nog steeds zeggenschap over en invloed op de bedrijfsvoering. De strafbare feiten van [persoon 3] moeten dus nog steeds bij de gevaarbeoordeling betrokken worden. Het college verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland in een vergelijkbare zaak, waarbij [persoon 3] in een gelijksoortige constructie betrokken was. [3] Voor zover de structuur op 30 december 2024 weer is gewijzigd, valt dit buiten het beoordelingskader van de rechtbank, omdat dit ziet op een gebeurtenis van na het bestreden besluit.
5.2.
[stichting] stelt dat de structuurwijziging geen echte verandering heeft gebracht in het bestaande zakelijke samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 3, vierde lid onder c van de Wet Bibob. [persoon 3] speelt nog steeds een belangrijke rol in dit samenwerkingsverband.
5.3.
Voor de vraag of de strafbare feiten van [persoon 3] bij de gevaarbeoordeling betrokken mogen worden, is van belang of er sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband. Dit wordt aangenomen als sprake is van een zakelijke relatie, die gericht is op samenwerking en van een zeker duurzaam en structureel karakter is. [4] Gezien de structuur van het concern en de financiële betrokkenheid van [persoon 3] bij de exploitatie van de varkenshouderij van eiseres, volgt de rechtbank het college in zijn standpunt dat [persoon 3] zeggenschap heeft over eiseres en tot haar in een zakelijk samenwerkingsverband staat. Uit het advies van bureau Bibob blijkt dat [persoon 3] met zijn bedrijf [BV 2] vermogensverschaffer is van eiseres. Hiermee heeft [persoon 3] ook na de gewijzigde bedrijfsstructuur van 20 augustus 2020 nog zeggenschap en invloed gehouden over eiseres.
5.4.
Het bestreden besluit bevat een uiteenzetting van de feiten en omstandigheden die erop wijzen en redelijkerwijs doen vermoeden dat eiseres (of haar rechtsvoorganger [BV 1] ) zelf strafbare feiten heeft begaan en in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd door de vennootschappen op andere locaties. Deze strafbare gedragingen hangen samen met activiteiten waarvoor de nieuwe omgevingsvergunning is aangevraagd en waarvoor al een omgevingsvergunning is verleend. Niet is vereist dat de strafbare feiten moeten zijn begaan bij dezelfde inrichting om deze te mogen betrekken bij het vaststellen van de mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van Pro de Wet Bibob. De vergunning is niet alleen geweigerd om te voorkomen dat uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen voordelen worden benut (a-grond), maar ook om te voorkomen dat nieuwe strafbare feiten worden gepleegd (b-grond). [5] Het college heeft daarom ook de overtredingen van andere locaties waarbij [persoon 3] betrokken is, inclusief locaties in Duitsland, bij de beoordeling van het gevaar mogen betrekken en die overtredingen ook aan eiseres kunnen tegenwerpen op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob.
5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college op basis van de strafbare feiten van [persoon 3] , eiseres, [BV 1] en [persoon 1] kunnen concluderen dat er sprake is van een ernstig gevaar voor nieuwe strafbare feiten. Het college mocht nog steeds uitgaan van een zakelijk samenwerkingsverband en heeft in de gewijzigde structuur geen aanleiding hoeven zien om een zodanig verminderde mate van gevaar aan te nemen dat de vergunning niet meer geweigerd kon worden.
5.6.
Voor zover de structuur op 30 december 2024 weer gewijzigd is, kan de rechtbank dat niet meenemen in de beoordeling van het bestreden besluit, omdat de rechtbank moet toetsen aan de feiten en omstandigheden ten tijde van het bestreden besluit.
Mocht het college uitgaan van valsheid in geschrifte?
6. [persoon 1] heeft volgens eiseres geen weet gehad van de antecedenten die niet zijn opgenomen in het Bibob-vragenformulier. Er is dus sprake geweest van een fout en niet van valsheid in geschrifte. Er was immers geen opzet.
6.1.
Het college wijst erop dat [persoon 1] op 22 augustus 2022 zelf bestuurder was van [BV 1] Op die datum heeft deze vennootschap een onherroepelijke strafbeschikking ontvangen. Het is onwaarschijnlijk dat hij hier niets van wist en sowieso had hij het horen te weten. Een vermoeden van valsheid in geschrifte is een zodanig ernstig feit dat dat weigering van de vergunning al rechtvaardigt. [6]
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college uit mocht gaan van het vermoeden van valsheid in geschrifte bij het invullen van het Bibob-vragenformulier. De rechtbank acht het onwaarschijnlijk dat de bestuurder van [BV 1] niet op de hoogte was van een strafbeschikking die onder zijn bestuur aan de B.V. is opgelegd. Een vermoeden van opzet bij valsheid in geschrifte is op grond van artikel 3, zesde lid van de Wet Bibob voldoende om de vergunning te weigeren, nu dit formulier aan het verkrijgen van de vergunning ten grondslag ligt.
Zitten er gebreken in het Bibob-advies?
7. Eiseres stelt dat er teveel is gekeken naar oude overtredingen van [persoon 3] . Deze zijn in het buitenland gepleegd door een persoon die nu geen bestuurder meer is van het bedrijf dat de vergunning aanvraagt. Het college heeft teveel gewicht toegekend aan deze overtredingen.
7.1.
[stichting] wijst erop dat zolang justitiële registraties zijn vermeld, het bestuursorgaan die bij de beoordeling mag betrekken. Ze verwijst naar eerdere uitspraken. [7] Ze wijst er ook op dat er recentelijk overtredingen zijn geconstateerd bij eiseres en gerelateerde bedrijven in [plaats 3] en [plaats 4] .
7.2.
Bij een belastend besluit als een weigering van een vergunning, rust de bewijslast of aan de voorwaarden voor die weigering is voldaan op het bestuursorgaan. Dat is in dit geval het college. Het college moet daarvoor de nodige kennis over de relevante feiten vergaren. Als hij daartoe relevante feiten aandraagt, is het vervolgens aan de vergunninghouder om die te betwisten en om die betwisting te onderbouwen. Het college mag gelet op de deskundigheid van het Bureau Bibob daarbij in beginsel van diens advies uitgaan. Dit neemt niet weg dat het zich ervan moet vergewissen dat het aan het advies ten grondslag liggende onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze is verricht en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. [8]
7.3.
Het Bureau Bibob heeft in het onderhavige advies geconcludeerd dat er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Aan de gevaarzetting op de b-grond heeft het Bureau Bibob ten grondslag gelegd dat [persoon 3] en de vennootschappen die tot zijn concern behoren, waaronder [BV 1] , als ook de vennootschappen die behoren tot het concern van eiseres in [plaats 3] en in [plaats 4] tussen 2009 en 2018 veelvuldig strafbare feiten hebben gepleegd op het gebied van dierenwelzijn en dat aan hen boetes zijn opgelegd wegens het (herhaaldelijk) overtreden van diverse wettelijke regels op het gebied van dierenwelzijn en milieu. Deze overtredingen rechtvaardigen volgens het Bibob-advies een gegronde vrees voor het plegen van nieuwe strafbare feiten.
7.4.
Eiseres stelt weliswaar dat bepaalde overtredingen van [persoon 3] gelet op hun ouderdom niet meer meegenomen zouden mogen worden in het Bibob-advies, maar onderbouwt dit niet. De rechtbank ziet geen reden waarom deze oude overtredingen niet meegenomen zouden mogen worden en waarom deze, in samenhang met de overtredingen van eiseres, niet tot de conclusie kunnen leiden dat er ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te begaan. Ook de wijzigingen in de bedrijfsvoering zijn onvoldoende om tot die conclusie te komen, omdat de strafbare feiten nog steeds in dat samenwerkingsverband zijn gedaan. Het college mocht dus uitgaan van de juistheid van het advies.
Is het besluit voldoende gemotiveerd en proportioneel?
8. Eiseres stelt dat het college met haar in overleg had moeten gaan om zo tot een ander besluit te komen. Ze had de bedrijfsvoering daar, in overleg met het college, op aan kunnen passen. Het bedrijf kan de exploitatie nu weliswaar voortzetten, maar de weigering is niet zonder gevolgen. Met een ander besluit zou hetzelfde doel kunnen worden bereikt, terwijl het bedrijf daar minder onder zou leiden.
8.1.
Het college geeft aan dat de strafbare feiten zwaar genoeg wegen om de bestaande vergunning in te trekken. Het bewust onjuist invullen van het Bibob-vragenformulier is daarvoor op zichzelf al voldoende. Het college heeft in het voordeel van eiseres slechts volstaan met het niet verlenen van de wijzigingsvergunning. Daarnaast hebben zowel de rechtsvoorganger van eiseres als [persoon 3] , waarmee eiseres een zakelijk samenwerkingsverband heeft, ernstige strafbare feiten gepleegd.
8.2.
[stichting] stelt dat eiseres niet heeft onderbouwd waarom het besluit onevenredig uitpakt.
8.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het is evident dat het weigeren van de vergunning gevolgen heeft. Eiseres heeft echter niet onderbouwd dat de gevolgen in dit geval onevenredig zijn en op welke wijze een ander besluit tot hetzelfde doel zou leiden, terwijl het bedrijf daar minder onder lijdt. De rechtbank is van oordeel dat toepassing van de Wet Bibob in beginsel tot weigering van de vergunning mocht leiden en ziet geen gronden die aanleiding geven voor het oordeel dat daar in dit geval in het kader van evenredigheid van afgeweken moet worden.

Conclusie en gevolgen

De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.
8.4.
Omdat het beroep ongegrond is, is er ook geen aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten of het terugbetalen van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzitter, en mr. T.I. van Term en mr. M. Koek, leden, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier op 5 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.20
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, of in artikel 2.1, eerste lid, onder e, met betrekking tot een inrichting kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning in andere gevallen dan bedoeld in artikel 2.10, onderscheidenlijk artikel 2.14 slechts weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van Pro de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 3 van Pro die wet, voor zover het deze wet betreft, onder betrokkene mede wordt verstaan degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met de aanvrager van de omgevingsvergunning gelijk kan worden gesteld.
2. Voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van Pro de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van Pro die wet worden gevraagd.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het tweede lid van overeenkomstige toepassing is op een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, waarvoor bij die maatregel is bepaald dat een omgevingsvergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid.
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur
Artikel 3
1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:
a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of
b. strafbare feiten te plegen.
2. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
c. de aard van de relatie en
d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.
3. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,
b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
c. de aard van de relatie en
d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.
4. De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:
a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,
b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van Pro het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of
c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon leidinggevende van betrokkene is, dan wel zeggenschaphebbende over betrokkene, vermogensverschaffer van betrokkene of een persoon die in een zakelijk samenwerkingsverband tot betrokkene staat of heeft gestaan.
5. De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:
a. de mate van het gevaar en
b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.
6. Eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid hebben bestuursorganen, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.
7. Voorzover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar. Het bestuursorgaan heeft eenzelfde bevoegdheid indien sprake is van een ernstig gevaar waarbij de ernst van de strafbare feiten weigering of intrekking van de beschikking niet rechtvaardigt. Het bestuursorgaan kan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift wijzigen. Indien niet wordt voldaan aan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift, kan het bestuursorgaan de beschikking intrekken.

Voetnoten

1.Gemeenteblad 2023, 95621 van 8 maart 2023 van de Gemeente Halderberge.
2.Artikel 7:1, eerste lid onder d van de Awb.
3.Rechtbank Midden-Nederland, 1 februari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:423.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1218.
5.Artikel 3, eerste lid van de Wet Bibob.
6.ABRvS, 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:212.
7.ABRvS, 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:350.
8.Artikel 3:9 van Pro de Awb.