Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de Dienst Toeslagen op zijn aanvraag om aanvullende compensatie voor werkelijke schade op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin verweerder was opgedragen binnen elf weken te beslissen, maar dit niet is gebeurd.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is, omdat verweerder niet binnen de gestelde termijn heeft beslist. De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn van twee weken na verzending van deze uitspraak op, omdat de wettelijke beslistermijn van 52 weken en de nadere termijn van 60 weken reeds zijn verstreken.
Verweerder had verzocht om een langere beslistermijn in verband met alternatieve trajecten voor schadeafhandeling, maar de rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding. Tevens wordt een dwangsom van €250 per dag met een maximum van €37.500 opgelegd. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar gemaakt. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.