ECLI:NL:RBZWB:2026:183
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de heffing van kansspelbelasting en de rol van bonussen in de belastinggrondslag
In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 15 januari 2026, wordt het beroep van belanghebbende, een Belgische B.V., tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst behandeld. De rechtbank oordeelt dat de heffing van kansspelbelasting, waarbij bonussen die aan spelers zijn verstrekt als inzet worden aangemerkt, terecht is. Belanghebbende had in totaal € 2.885.229 aan kansspelbelasting voldaan voor verschillende tijdvakken, maar de inspecteur verklaarde de bezwaren tegen deze voldoening ongegrond. De rechtbank stelt vast dat de wetgever het spelen met een bonus als belaste inzet heeft bedoeld, en dat er geen sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Belanghebbende heeft niet kunnen aantonen dat de belastingheffing leidt tot een individuele en buitensporige last. De rechtbank concludeert dat de verschuldigde kansspelbelasting op de juiste wijze is vastgesteld en verklaart de beroepen ongegrond.