ECLI:NL:RBZWB:2026:200

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
BRE 25/6631 en 25/6633
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herzieningsverzoek inzake belastingrechtelijke uitspraken

In deze uitspraak beslist de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op het verzoek van de belanghebbende om herziening van eerdere uitspraken van de rechtbank van 14 april 2025. De rechtbank heeft de verzoeken om herziening op grond van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beoordeeld. De rechtbank verklaart de verzoeken niet-ontvankelijk wegens misbruik van recht. De belanghebbende heeft in een brief van 10 december 2025 aangegeven het niet eens te zijn met de eerdere uitspraken en heeft nieuwe feiten gepresenteerd als basis voor herziening. De rechtbank stelt echter vast dat de aangevoerde feiten niet voldoen aan de vereisten voor herziening, omdat ze niet vóór de eerdere uitspraken hebben plaatsgevonden of niet relevant zijn voor de genomen beslissingen. De rechtbank benadrukt dat de mogelijkheid van herziening niet bedoeld is voor een hernieuwde discussie over de zaak of de juistheid van eerdere uitspraken. Uiteindelijk wijst de rechtbank de verzoeken om herziening af, en deze uitspraak is openbaar gemaakt en aan de partijen bekendgemaakt.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/6631 en 25/6633

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het verzoek van belanghebbende op grond van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om de uitspraken van de rechtbank van 14 april 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:2154 en ECLI:NL:RBZWB:2025:2155, te herzien.
1.1.
Omdat de verzoeken kennelijk ongegrond zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Awb maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

Het verzoek
2. De rechtbank heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht.
2.1.
Belanghebbende heeft bij brief van 10 december 2025 de rechtbank verzocht om herziening van de hiervoor genoemde uitspraken. De rechtbank begrijpt uit dit stuk dat belanghebbende het niet eens is met deze uitspraken en dat als novem voor een herziening onder andere geldt dat 1) de Belastingdienst een uitspraak van een Gerechtshof uit 2016 misbruikt 2) dat de Belastingdienst de uitspraken van de rechtbank hiervoor genoemd nu misbruikt en 3) de uitkomst van het lopende cassatieberoep met nummer HR 25/00770 niet in de beoordeling is betrokken. Daarnaast is nog een veelheid aan nieuwe feiten gesteld.
Beoordeling van het verzoek
3. Op verzoek van een partij kan een onherroepelijk geworden uitspraak worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
die bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs bekend konden zijn, en
waren zij bij de rechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. [1]
3.1.
De bewijslast ligt bij verzoeker. De mogelijkheid van herziening is uitdrukkelijk niet bedoeld om een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. [2] Bij een verzoek om herziening moet sprake zijn van feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak.
3.2.
Het verzoek om herziening slaagt niet. De door verzoeker aangehaalde gestelde nieuwe feiten kunnen niet leiden tot een gegrond herzieningsverzoek nu die feiten niet hebben plaatsgevonden vóór de uitspraken van de rechtbank, dan wel niet zijn gebleken, dan wel naar het oordeel van de rechtbank geen relevantie hebben met de genomen gerechtelijke beslissingen, dan wel niet nieuw zijn. Ook nadien gekomen verandering van rechtspraak – als dat er al zou zijn, wat de rechtbank niet opmaakt uit de stukken - kan niet worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of omstandigheid. [3]
3.3.
De rechtbank volstaat met deze relatief korte uitleg en merkt op dat de waarschuwing die de voorlopige voorzieningenrechter gegeven heeft eerst nadat het derde verzoek daartoe was ingediend, [4] ook in bredere zin voor verzoeker geldt: eventuele komende verzoeken van soortgelijke strekking kunnen, wanneer de rechtbank daar aanleiding voor ziet, verkort behandeld worden.

Beslissing

De rechtbank wijst de verzoeken om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.
2.Centrale Raad van Beroep 13 januari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS3516.
3.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:622.