Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3082

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
25/486
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:51a AwbArt. 8:51b AwbArt. 8:80a AwbArt. 4.1 Woo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over openbaarmaking informatie Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing

Eiser verzocht op grond van de Wet open overheid (Woo) informatie over de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) openbaar te maken. De minister gaf gedeeltelijk gehoor aan dit verzoek in twee deelbesluiten, waartegen eiser bezwaar maakte. De rechtbank behandelde het beroep tegen het besluit op bezwaar 2, dat de minister handhaafde.

De rechtbank verklaarde zich onbevoegd voor het geschil over de dwangsom, omdat dit aan de civiele rechter toekomt. De rechtbank oordeelde dat de minister ten onrechte bepaalde documenten buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek plaatste, zoals uitvoeringstechnische bezwaren van de RVO en klachten over de 12-maandentermijn. Ook stelde de rechtbank vast dat de minister onvoldoende inzicht gaf in de zoekslagen naar documenten, wat een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek vormt.

Daarnaast concludeerde de rechtbank dat de minister onterecht passages in openbaar gemaakte stukken had gelakt die wel binnen het verzoek vielen. De minister kreeg de gelegenheid om deze gebreken binnen vier weken te herstellen, waarna de rechtbank zonder nieuwe zitting uitspraak zal doen. De procedure blijft beperkt tot de besproken beroepsgronden en verdere beslissingen worden aangehouden tot de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd voor het dwangsomgeschil, constateert motiverings- en zorgvuldigheidsgebreken en geeft de minister gelegenheid tot herstel van het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/486 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

De minister van Klimaat en Groene Groei, de minister.

Procesverloop

1. Eiser heeft op 7 augustus 2023 met een beroep op de Wet open overheid (Woo) de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en/of het ministerie van Economische Zaken en Klimaat en/of de Staat der Nederlanden verzocht informatie openbaar te maken over de totstandkoming en uitvoering van de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE). De minister heeft in het besluit van 8 december 2023 een overzicht gemaakt van waar het Woo-verzoek volgens haar precies op ziet. Dit overzicht is niet betwist door eiser.
Het overzicht:
1. Alle documenten die tot de termijn van twaalf maanden voor het uitvoeren van minimaal twee maatregelen hebben geleid;
2. Alle documenten die op of onder het Ministerie en/of Rijksdienst voor Ondernemend Nederland aanwezig zijn die hebben bijgedragen om de termijn van twaalf maanden naar 24 maanden te verlengen;
3. Alle documenten betreffende een correcte overgangsregeling van 12 maanden naar 24 maanden.
4. Inzage in het totaal van ingediende aanvragen, met als onderverdeling:
- Aanvragen die gegrond zijn verklaard;
- Aanvragen die ongegrond zijn verklaard;
- Aanvragen die niet-ontvankelijk zijn verklaard;
- Aantal ingestelde beroepen;
- Aantal ingestelde hoger beroepschriften;
- De categorie van bezwaar.
5. Alle correspondentie tussen Vereniging Eigen Huis en de Ministeries en RVO.
6. Alle stukken die direct of indirect met de Vereniging Eigen Huis te maken hebben betreffende dit onderwerp en/of alle klachten die door aanvragers zijn ingediend.
7. De besluitvorming op de factsheet Resultaten meldpunt subsidie verduurzaming ISDE pdf.
1.1.
Op 8 december 2023 heeft de minister, zoals gezegd, een besluit op het Woo-verzoek genomen (deelbesluit 1). In dit besluit heeft de minister een document openbaar gemaakt dat informatie bevat over het totaal van de in 2022 ingediende aanvragen en ontvangen bezwaren. Hiermee heeft de minister gereageerd op onderdeel 4 van het overzicht van het Woo-verzoek (zie r.o. 1.). In dit besluit geeft de minister verder aan dat in zijn ministerie geen informatie is aangetroffen ten aanzien van de onderdelen 1 tot en met 3 van het overzicht van het Woo-verzoek. Het Woo-verzoek is ten aanzien van dit gedeelte daarom doorgezonden naar het ministerie van Binnenlandse Zaken. In deelbesluit 1 geeft de minister verder aan dat ten aanzien van de onderdelen 5 tot en met 7 van het overzicht van het Woo-verzoek nog wordt nagegaan of er documenten op het ministerie aanwezig zijn.
1.2.
Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
1.3.
De minister heeft in de beslissing op bezwaar van 7 maart 2024 het bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard (beslissing op bezwaar 1). Hiermee is deelbesluit 1 inhoudelijk in stand gelaten.
1.4.
Op 22 juli 2024 heeft de minister een besluit genomen op de punten 1 tot en met 3 en 5 tot en met 7 (deelbesluit 2). De minister heeft in dit besluit de door eiser opgevraagde informatie gedeeltelijk openbaar gemaakt.
1.5.
De RVO heeft op 28 augustus 2024, met in achtneming van een uitspraak van deze rechtbank van 26 april 2024 [1] , vastgesteld dat eiser recht heeft op een dwangsom van € 7000,00 wegens niet tijdig beslissen op het Woo-verzoek van 7 augustus 2023 (het dwangsombesluit).
1.6.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen zowel deelbesluit 2 als het dwangsombesluit.
1.7.
De minister heeft op 9 december 2024 in de beslissing op de bezwaren tegen deelbesluit 2 en het dwangsombesluit de bezwaren ongegrond verklaard (de beslissing op bezwaar 2; het bestreden besluit). De besluiten van 22 juli 2024 en 28 augustus 2024 zijn hiermee gehandhaafd.
1.8.
Eiser heeft op 17 januari 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.9.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.10.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is – met bericht van verhindering – niet verschenen. De minister heeft zich op zitting laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .

Overwegingen

2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen het besluit tot (gedeeltelijke) openbaarmaking op grond van de Woo. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Met toepassing van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank daarvoor kennisgenomen van de niet-openbaargemaakte informatie voor zover hier in geschil.
Beroepsgronden
3. Eiser stelt dat er documenten ontbreken bij de openbaar gemaakte stukken. Omdat het Woo-verzoek hierdoor niet volledig is afgehandeld, had de dwangsomtermijn volgens eiser moeten doorlopen. Daarnaast verzoekt eiser de rechtbank om te onderzoeken of documenten om gegronde redenen zijn gelakt of niet verstrekt. Tot slot voert eiser aan dat het Woo-verzoek opnieuw moet worden doorgestuurd naar de minister van Economische Zaken.
Omvang van het geding
4. De rechtbank constateert dat geen van de beroepsgronden zich richt tegen beslissing op bezwaar 1. De omvang van dit geding blijft dus beperkt tot de beoordeling van beslissing op bezwaar 2.
Geschil over te betalen dwangsom
4.1.
Eiser verzoekt de rechtbank om vast te stellen dat de verschuldigde dwangsom niet € 7.000,00 bedraagt maar is blijven oplopen omdat er nog niet volledig op zijn aanvraag was beslist. Een geschil over de juistheid van een bij (bestuurs-)rechterlijke uitspraak vastgestelde dwangsom kan echter niet aan de bestuursrechter worden voorgelegd maar dient met inachtneming van de regels van burgerlijke rechtsvordering te worden aangebracht bij de bevoegde civiele rechter. [2] De bestuursrechter is niet bevoegd om een geschil daarover de beslechten. De rechtbank zal zich dan ook in zoverre onbevoegd verklaren om van het beroep kennis te nemen.
4.2.
Wel stelt de rechtbank vast dat eisers bezwaar tegen de beslissing waarmee de volgens verweerder als gevolg van de uitspraak van 26 april 2024 verschuldigde dwangsom ten onrechte wel ontvankelijk is geacht en ongegrond is verklaard. Omdat geen beroep op de bestuursrechter open staat, stond ook geen bezwaar open.
Reikwijdte van het Woo-verzoek
5. De rechtbank gaat bij het beoordelen van de reikwijdte van het Woo-verzoek uit van het overzicht van het Woo-verzoek uit r.o. 1. Dit overzicht is, zoals eerder aangegeven, niet door eiser betwist.
5.1.
Eiser vindt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de quick en dirty-analyse, de uitvoeringstechnische bezwaren van de RVO en de klachten over de 12-maandentermijn buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen.
Nieuwe informatie
5.2.
De minister stelt dat eiser pas tijdens de bezwaarprocedure heeft gevraagd naar de quick en dirty-analyse en de uitvoeringstechnische bezwaren van de RVO. Dit is volgens de minister nieuwe informatie en valt dus buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek.
5.3.
Volgens vaste rechtspraak [3] worden bij de bepaling van de reikwijdte van het verzoek de gebruikte bewoordingen en de context waarin het verzoek wordt gedaan betrokken. Uitbreiding of aanvulling van een Woo-verzoek in de bezwaarfase verdraagt zich niet met het wettelijk stelsel, waarbij een bestuursorgaan een besluit op een Woo-verzoek neemt en een eventueel gemaakt bezwaar nog steeds op het oorspronkelijke verzoek betrekking heeft.
5.4.
De minister heeft aangevoerd dat de quick en dirty-analyse een risicoanalyse inhoudt ter zake van de afwijkingen van de ISDE van het Uniform Subsidiekader (USK). De rechtbank ziet geen aanknopingspunt om te oordelen dat het stuk valt onder de reikwijdte van het Woo-verzoek.
5.5.
De rechtbank is daarentegen wel van oordeel dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat de uitvoeringstechnische bezwaren van de RVO buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen. Deze uitvoeringstechnische bezwaren kunnen immers betrekking hebben op het de wijziging van de 12 maandentermijn naar 24 maanden. De uitvoeringstechnische bezwaren van de RVO vallen dus onder onderdeel 1 van het overzicht van het Woo-verzoek.
Klachtenoverzicht
5.6.
De minister betwist dat er een overzicht bestaat met klachten over de 12-maandentermijn bestaat. Als dit wel zou bestaan dan zou dit klachtenoverzicht bovendien naar de mening van de minister buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen. Het geeft namelijk geen informatie over de aanpassing van de 12-maandentermijn naar de 24-maandentermijn.
5.7.
De rechtbank is van oordeel dat klachten over de 12-maandentermijn wel degelijk binnen de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen. In het Woo-verzoek wordt namelijk letterlijk gevraagd om alle klachten van de aanvragers van de ISDE-subsidie openbaar te maken. Daarbij verwijst de rechtbank naar onderdeel 6 van het overzicht van het Woo-verzoek. Bovendien kunnen deze klachten geleid hebben tot aanpassing van de termijn, zie onderdeel 2 van het overzicht van het Woo-verzoek.
5.8.
Aldus constateert de rechtbank dat de minister ten onrechte stelt dat de uitvoeringstechnische bezwaren van de RVO en het klachtenoverzicht buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen. Deze beroepsgrond slaagt.
Ontbreken van documenten
6. Eiser voert aan dat er documenten in de openbaar gemaakte stukken ontbreken. Zo betwist eiser specifiek dat er geen overzicht is van de uitvoeringstechnische bezwaren van de RVOen dat er geen overzicht bestaat van de klachten over de 12-maandentermijn. Dat hier een klachtenoverzicht van is, onderbouwt eiser door te wijzen op de meer dan 700 klachten over de ISDE-regeling en door te stellen dat documenten over de klachten volop in de stukken aanwezig zijn. Ook meent eiser dat een document met een dataset waaruit blijkt in hoeverre aanvragen in het kader van de ISDE binnen de 12 maandentermijn worden ingediend ten onrechte in de stukken ontbreekt. Verder heeft eiser het in zijn beroepschrift in dit kader ook over de quick en dirty-analyse. Daarvan heeft de rechtbank hiervoor al geoordeeld dat dit buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek valt.
6.1.
De minister heeft aangevoerd dat zowel een klachtenoverzicht als de dataset niet bestaan. De minister voert aan dat hij op grond van de Woo niet verplicht is nieuwe documenten op te stellen.
6.2.
Zoals volgt uit vaste rechtspraak [4] rust op bestuursorganen op grond van de Woo, net als op grond van de Wob, geen plicht tot vervaardiging van documenten die niet bestaan. Dit geldt ook voor informatie die op grond van een wettelijk voorschrift bij een bestuursorgaan had moeten berusten.
6.3.
Blijkens de wel openbaar gemaakte stukken is de RVO – onder meer – geïnformeerd over het aantal klachten dat bij het meldpunt van de Vereniging Eigen Huis was ontvangen en over de analyse die de VEH daarvan heeft gemaakt. In de beantwoording van vragen die een journalist van RTL daarover stelde, wordt melding gemaakt van het (geringe) aantal klachten tot dan en van de wijze waarop op die klachten is gereageerd. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat er ook een overzicht is gemaakt van klachten die bij de RVO zijn ingediend.
6.4.
De rechtbank heeft bij de openbaar gemaakte stukken en ook bij de stukken die met een beroep op artikel 8:29 zijn Pro overgelegd geen klachten of reacties daarop aangetroffen. Het is de rechtbank dan ook niet duidelijk hoe de minister de zoekslag heeft ingericht, nu eventuele klachten onder het bereik van nummer 6 van het verzoek, zoals de minister dat heeft onderverdeeld, kunnen vallen.
6.5.
De minister heeft zowel in het verweerschrift als in het bestreden besluit niet inzichtelijk gemaakt hoe hij de zoekslag heeft verricht. Dat is volgens vaste rechtspraak een gebrek [5] . De rechtbank is van oordeel dat dit een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek is. Deze beroepsgrond slaagt. De minister zal de gelegenheid krijgen om de zoekslag inzichtelijk te maken en, voor zover hij tot de conclusie komt dat een goede zoekslag wel aanvullende documenten oplevert, deze openbaar te maken, dan wel inzichtelijk te maken, waarom deze geheel of gedeeltelijk niet openbaar hoeven of kunnen worden gemaakt.
6.6.
De rechtbank stelt de minister ook voor wat betreft de gevraagde dataset in de gelegenheid de zoekslag inzichtelijk te maken dan wel uit te leggen waarom er geen gegevens zijn die inzichtelijk maken in hoeverre aanvragen zijn afgewezen op de grond dat ze niet binnen 12 maanden werden ingediend. .
Zijn de documenten om gegronde redenen gelakt/niet verstrekt?
7. Eiser heeft de rechtbank verzocht te onderzoeken of documenten om gegronde redenen gelakt of niet verstrekt zijn.
7.1.
De bestuursrechter toetst bij de beoordeling van een besluit waarbij toepassing is gegeven aan de uitzonderingsgronden uit de Woo zonder terughoudendheid of het door het bestuursorgaan ingeroepen andere belang dan het algemeen belang bij openbaarmaking zich voordoet. Een bestuursorgaan heeft bij de te maken afweging tussen het algemeen belang bij openbaarmaking en het door de uitzonderingsgrond beschermde belang beoordelingsruimte, waardoor de bestuursrechter de afweging van een bestuursorgaan terughoudend toetst. [6]
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister ten onrechte in de op 2 oktober 2022 om 22:20 uur verzonden e-mail (document 75) weigeringsgrond “4.1,4” ingeroepen. De informatie die hier is weggelakt valt namelijk wel gewoon binnen de reikwijdte van het Woo-verzoek. Hier staan redenen in waarom het bezwaarlijk zou zijn om de 24-maandentermijn terug te laten werken naar 2021. Dit valt onder onderdeel 3 van het overzicht van het Woo-verzoek.
7.3.
Daarnaast wordt door de minister ten onrechte gesteld dat de inhoud van de e-mail die op 12 september 2022 om 12:04 uur gestuurd is ( [document] ) buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek valt. De rechtbank stelt vast dat hier een reden wordt genoemd voor het oprekken van de 12-maandentermijn naar 24 maanden. Dit valt onder onderdeel 2 van het overzicht van het Woo-verzoek. Dat geldt evenzeer voor de niet openbaar gemaakte passages in de e-mail (document 74) die op 22 oktober 2022 om 22:20 uur is verstuurd.
7.4.
Omdat de minister drie passages ten onrechte heeft gelakt in de openbaar gemaakte stukken, slaagt deze beroepsgrond.
Doorsturen Woo-verzoek naar het ministerie van Economische Zaken
8. Eiser stelt in zijn beroepschrift dat het Woo-verzoek op 29 november 2023 deels is doorgezonden naar het ministerie van Economische Zaken. Eiser verzoekt daarom om zijn documenten in deze beroepsprocedure als herhaald en ingelast te beschouwen en niet buiten beschouwing te laten.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat het (oorspronkelijke) Woo-verzoek onder meer gericht was aan het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Dit ministerie is later onder kabinet-Schoof opgesplitst in het ministerie van Economische Zaken en het ministerie van Klimaat en Groene Groei. De meest recente openbaar gemaakte stukken zijn als bijlage gevoegd bij deelbesluit 2. Dat deelbesluit is afkomstig van de minister van Economische Zaken en Klimaat. De rechtbank overweegt dat de minister terecht in het bestreden besluit heeft opgemerkt dat de documenten van het ministerie van Economische Zaken al bij de openbaar gemaakte documenten zitten. De rechtbank is daarom van oordeel dat het Woo-verzoek niet opnieuw doorgestuurd hoeft te worden naar het ministerie van Economische Zaken.
De tussenconclusie
9. Zoals hiervoor is overwogen onder r.o. 6.5.. kent het bestreden besluit een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. Daarnaast volgt uit r.o. 7.2. en 7.3. .3. dat de minister drie passages ten onrechte in de openbaar gemaakte stukken gelakt heeft. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.
9.1.
De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als de minister gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister. In beginsel, ook in de situatie dat de minister de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
9.2.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft op grond van vaste rechtspraak in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. [7]
9.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen, voor zover dit beroep gericht is tegen de dwangsom die de minister eiser verschuldigd is;
- draagt de minister op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt de minister in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 16 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving (voor zover relevant)
De Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:29
1. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.
2. Gewichtige redenen zijn voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet open overheid de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen.
3. De bestuursrechter beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
4. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting.
5. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.
6. Inzake een beroep tegen een besluit op grond van de Wet open overheid neemt, in zo verre in afwijking van het eerste en derde lid, uitsluitend de bestuursrechter kennis van de stukken waarvan op grond van de Wet open overheid om openbaarmaking of verstrekking is verzocht. De toestemming, bedoeld in het vijfde lid, is van rechtswege verleend.
Wet open overheid
Artikel 4.1
1. Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek.
2. Een verzoek kan mondeling of schriftelijk worden ingediend en kan elektronisch worden verzonden op de door het bestuursorgaan aangegeven wijze.
3. De verzoeker behoeft bij zijn verzoek geen belang te stellen.
4. De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.
5. Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de verzoeker om het verzoek te preciseren en is het de verzoeker daarbij behulpzaam.
6. Het bestuursorgaan kan besluiten een verzoek niet te behandelen, indien de verzoeker niet meewerkt aan een verzoek tot precisering als bedoeld het vijfde lid. In afwijking van artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit om het verzoek niet te behandelen aan de verzoeker bekendgemaakt binnen twee weken nadat het verzoek is gepreciseerd of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
7. Een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk 5.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 april 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2718.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY7986.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:190.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1066.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1675.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6388.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.